De Raad voor de Kinderbescherming

De Raad voor de Kinderbescherming staat regelmatig bloot aan kritiek. Dit betreft dikwijls de veronderstelde ondoorzichtige en willekeurige manier van werken. Soms zou de Raad niet of te laat ingrijpen waardoor kinderen overlijden, en soms te vroeg waardoor kinderen ten onrechte gescheiden worden van hun ouders. De Raad zelf acht deze kritiek meestal inherent aan zijn moeilijke taak en vindt dat hij hard aan zijn transparantie heeft gewerkt.

Volgens onderzoek uit 1995 had de Raad voor de Kinderbescherming een slecht imago bij eerstelijnswerkers[1] en cliënten.[2] Nieuwer onderzoek is niet bekend, maar de Raad heeft het zelf ook daarna in de media nog vaak over het verbeteren van het imago[3]. De Raad werkt aan zijn imago door middel van reorganisaties en intensieve mediacontacten. Zo betaalt hij journalisten bijvoorbeeld om mediatraining te geven aan zijn medewerkers voordat deze een programma maken over de Raad. Overigens zijn er weinig formele klachten tegen de Raad. Criticasters wijten dat aan de kwaliteit van de klachtenprocedures. Klachtenprocedures van de Raad zijn niet openbaar. De Nationale Ombudsman stelt zich in de meeste zaken met betrekking tot de Raad niet geroepen te voelen onderzoeken te doen, dit in verband met het mogelijk doorkruisen van de bevoegdheden van de rechterlijke macht.

Onderzoek naar het functioneren van de Raad wordt dikwijls gedaan door zelf aangestelde onderzoekersnaar zelf aangeleverde dossiers met zelf aangestelde begeleidingscommissies. Directeur Levenkamp van het Ministerie van Justitie erkende in 2004 dat die laatste kritiek terecht is.

Emeritus P. Hoefnagels kwam in oktober 2002 met de volgende kritiek:

 

 

Na het bestuderen van tientallen rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming komt hij tot de volgende conclusies:

  • Feiten en conclusies waren niet gescheiden; zelfs niet onderscheiden;
  • De conclusies gingen vooraf aan feiten en functioneerden als vooroordelen;
  • Conclusie en advies aan de rechter berustten niet op feiten;
  • De beweringen en verwijten uit de scheidingsverhalen van de man en de vrouw werden als feiten behandeld;
  • In de vraagstelling en de rapporten ontbrak stelselmatig aandacht voor het meest relevante aspect; de psychologie van het scheidingsproces bij de ouders. Noch de Raad, noch de psychologische rapporteurs gaven er blijk van iets te weten van de psychologie van het scheidingsproces;
  • Er werden te hooi en te gras zogenaamde ‘indrukken’ vermeld die op niets waren gebaseerd.
  • Het rapport was een ‘feitenpakhuis’. Feiten, beweringen en waardeoordelen werden opgestapeld zonder dat duidelijk was welke relevantie deze hadden voor de vraagstelling.
  • Beweringen werden zó vaak herhaald, dat ze voor de lezer die beslissingen moest nemen, als feiten gingen functioneren.
  • Het rapport was verhuld of onverhuld partijdig; de beweringen van de ene partij werden vaak positief, van de andere partij negatief gekleurd.

Het gaat hier, zo zegt Hoefnagels tot slot, om elementaire fouten, waardoor de rechter misleid wordt en waarvan tientallen ouders en honderden kinderen het slachtoffer worden. En zelfs als er goede rapporten gemaakt worden, zijn ze nog onnuttig, vragen ze meer tijd dan een kinderleeftijd verdraagt en verergeren ze vaak de strijd tussen de ouders. Kortom, volgens Hoefnagels is de huidige gang van zaken een verspilling van energie, tijd en geld. De rechter kan veel beter direct zélf beslissen als de ouders het niet met elkaar eens zijn. Dat gaat sneller, geeft minder risico’s en heeft minder nadeel voor de kinderen!

 

 

 

Reageren is niet mogelijk