Hoger beroep, 4 mei 2017; exit ouderverstoting; vader krijgt omgang, moeder een dwangsom!

Hoger Beroep; 4 mei 2017
exit; ouderverstoting.
vader krijgt omgang; moeder een dwangsom!

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, H. van Winkel en H.M.A.W. Erven en op 4 mei 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument…

“highlights” uit de uitspraak; (zie voor meer de link).

Het hof neemt hierbij het volgende in aanmerking.
7.6.2.
Het uitgangspunt van de wetgever is dat een regelmatige en onbelaste omgang van kinderen met hun beide ouders voor hun evenwichtige ontwikkeling van groot belang is.
Dit geldt in dit geval temeer gezien de leeftijdsfase van de kinderen. In de fase van de puberteit ontwikkelen kinderen hun eigen identiteit en in die fase is het van belang dat zij zich een eigen oordeel over ieder van hun ouders kunnen vormen. Van de ouders mag worden verwacht dat zij hun problemen, percepties en gevoelens ondergeschikt maken aan dit belang van de kinderen, zodanig dat zij een onbelaste omgang met de andere ouder kunnen faciliteren.
Het hof stelt vast dat, hoewel het huwelijk van partijen vijf jaar geleden door echtscheiding is ontbonden en er in de jaren na de echtscheiding een intensieve bemoeienis van de hulpverlening is geweest, het niet is gelukt gedurende de afgelopen vier jaar omgang van de kinderen met de vader tot stand te brengen, zelfs niet in begeleide vorm.
Het hof overweegt dat er geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die aanleiding geven om de vader op grond van het bepaalde in artikel 1:377a lid 3 BW het recht op omgang met de kinderen te ontzeggen, en indien en voor zover de moeder dit al heeft willen stellen, zij onvoldoende heeft aangevoerd om dit te onderbouwen en aannemelijk te maken.
7.6.3.
Het hof heeft geconstateerd dat er gedurende de afgelopen vier jaar, waarin er geen contact van de kinderen met de vader is geweest, sprake is geweest van toenemende problemen rondom de kinderen, die aanleiding hebben gegeven tot voortgezette inzet van de hulpverlening. In de jaren na de echtscheiding zijn de ouders er helaas niet in geslaagd hun communicatie zodanig te verbeteren en hun eigen belangen ondergeschikt te maken aan die van de kinderen. Naar moet worden aangenomen heeft deze situatie bijgedragen aan de huidige, manifeste problematiek van de kinderen.

7.6.4.
Het hof stelt voorop dat, gegeven de huidige problemen van de kinderen, hun belang thans vereist dat deze impasse wordt doorbroken. Van beide ouders, derhalve ook van de moeder, wordt verwacht dat zij hun gevoelens en percepties ten opzichte van elkaar ondergeschikt maken aan het belang van de kinderen bij een gezond en evenwichtig opvoedingsklimaat.
Het hof is van oordeel dat beide ouders hier zonder uitstel, desgewenst met inzet van hulpverlening aan dienen te werken, aangezien de huidige situatie tot zodanige problemen bij de kinderen heeft geleid dat in het belang van de kinderen verdergaande maatregelen in het verschiet liggen teneinde de kinderen de gelegenheid te bieden zich evenwichtig te ontwikkelen. Indien de ouders hiertoe niet in staat blijken te zijn, acht het hof het aannemelijk dat de kinderen zodanig tussen de ouders klem raken dat hun ontwikkeling ernstig zal worden bedreigd.
Het is dan aan de raad te beoordelen of in het belang van de kinderen verdergaande maatregelen zijn vereist, en indien gewenst, de rechter te verzoeken deze verdergaande maatregelen te treffen.
7.6.5.
Het hof overweegt ten aanzien van hetgeen is gesteld over de gevoelens van de kinderen jegens de vader nog het navolgende.
Uit de inhoud van de stukken en uit de gesprekken die het hof met [minderjarige 1] heeft gehad, heeft het hof vastgesteld dat [minderjarige 1] een grote weerstand toont tegen haar vader. [minderjarige 1] heeft het hof verteld dat zij haar vader nooit meer wil zien en dat hij niet meer in haar hart zit; hij voelt niet meer als ‘vader’.
Hoewel het hof begrijpt dat er zich in het verleden mogelijk gebeurtenissen hebben voorgedaan die [minderjarige 1] een vervelend gevoel hebben gegeven, is het hof van oordeel dat de gebeurtenissen die [minderjarige 1] ter verklaring van haar gevoelens heeft aangevoerd, niet van zodanig ingrijpende aard zijn dat deze naar redelijke maatstaven thans, ruim vijf jaar later, aan contact met de vader in de weg zouden kunnen staan. Het hof acht het uitermate zorgwekkend dat [minderjarige 1] te kennen heeft gegeven op geen enkele wijze nog contact met haar vader te willen hebben.
Het hof overweegt hierbij verder dat niet valt uit te sluiten dat de door de deskundigen gesignaleerde negatieve houding van de moeder jegens de vader en haar onwil om het contact van de kinderen met de vader te faciliteren een ongunstige invloed op de houding van de kinderen jegens de vader heeft gehad en dat hun weerstand (althans de weerstand van [minderjarige 1] ) tegen contact met hem hier mede op is gebaseerd en wellicht zelfs deze weerstand heeft vergroot. Het hof ziet dit bevestigd door de waarnemingen van de deskundigen van Herlaarhof die constateren dat de kinderen in hun uitingen over de vader mede worden gestuurd door hun moeder en van haar geen vrijheid krijgen een eigen mening naar voren te brengen over de wenselijkheid van herstel van contact met de vader. Naar het oordeel van het hof is het, gezien deze door de deskundigen gesignaleerde sturing door de moeder, de vraag in hoeverre de kinderen thans blijk geven van hun werkelijke gevoelens, en in hoeverre zij in hun uitlatingen over hun vader door de moeder zijn gestuurd.
Het hof kan mede op deze grond in de uitlatingen van de kinderen geen aanleiding zien om over de wenselijkheid de kinderen in de gelegenheid te stellen tot onbelast contact met beide ouders tot een ander oordeel te komen.
7.6.6.
Hoewel er in beginsel voldoende aanleiding bestaat om de bestreden beschikking volledig te bekrachtigen, ziet het hof de voornoemde omstandigheden in aanmerking nemende aanleiding om thans een beperkte zorgregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen, nu de vader en de kinderen al gedurende meerdere jaren geen contact meer hebben gehad. Het hof volgt de vader in zijn stelling dat de kinderen enige tijd moet worden gegund om weer aan de omgang met hem te wennen.
Het hof zal dan ook, mede gelet op het feit dat de kinderen op dit moment nog weerstand hebben tegen contact met de vader, een zorgregeling vaststellen met een frequentie conform de eerste en de tweede fase van de bestreden beschikking, alles zoals hierna in het dictum bepaald. Daarbij acht het hof het wenselijk dat bij de opbouw van het contact de vader rekening houdt met de eerder uitgesproken wens van de kinderen om hem alleen te ontmoeten zonder zijn huidige partner en haar kinderen en er om die reden voor zorgt dat zijn huidige partner en haar kinderen in elk geval niet bij de eerste zes contactmomenten aanwezig zijn. Op die manier kunnen de vader en de kinderen hun aandacht gedurende deze opbouwfase volledig op elkaar richten en niet tevens op de partner van de vader en haar kinderen. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat de kinderen de huidige partner van de vader en haar kinderen niet of nauwelijks kennen. Daarom zal het hof bepalen dat de eerste zes omgangsmomenten zullen plaatsvinden buiten aanwezigheid van de huidige partner van de vader en haar kinderen.
Verder acht het hof het wenselijk dat de twee jongste kinderen in de eerste fase nog zonder hun zus [minderjarige 1] bij de vader zijn. Daarom zal tevens worden bepaald dat [minderjarige 1] op de eerste drie omgangsmomenten nog niet meegaat naar de vader.
Eventuele uitbreiding of aanpassing van de vast te stellen contactregeling is op termijn uiteraard mogelijk in onderling overleg tussen de ouders.
7.6.7.
Het hof overweegt verder dat – in het belang van de kinderen – van de moeder een fundamenteel andere benadering en houding mag worden verlangd en dat het op haar weg ligt om zo nodig met deskundige hulp het contactherstel tussen de kinderen en de vader te faciliteren en de kinderen hierbij ondubbelzinnig te ondersteunen. Het is aan de moeder, als primair verzorgende ouder, om de kinderen intensief en positief op de contacten met de vader voor te bereiden en de kinderen te begeleiden en te stimuleren bij het contactherstel met de vader. In het belang van de ontwikkeling van de kinderen mag van de moeder hierin zonder meer een veel grotere inspanning worden verwacht dan zij tot op heden heeft verricht.
Het hof overweegt voorts dat na verloop van bijna vijf jaar (het inleidend verzoek van de vader tot echtscheiding dateert immers van 20 april 2012) mag worden verwacht dat de moeder het belang van de kinderen laat prevaleren boven haar eigen gevoelens en dat zij het echtscheidingstrauma zodanig heeft verwerkt dat dit niet meer in de weg staat aan de nakoming van de zorgregeling. Zo nodig zal de moeder hiertoe gerichte hulpverlening moeten zoeken.

Reageren is niet mogelijk