Hoger beroep, 4 mei 2017; exit ouderverstoting; vader krijgt omgang, moeder een dwangsom!

Wat is de kern van de beslissing van het Gerechtshof?

Waar een ouder structureel de omgang van kinderen met de andere ouder in de weg staat is krachtig optreden en het instellen van een dwangsom passend. Omgang moet via maatwerk weer opgang worden gebracht. Bij niet nakomen van de omgangsregeling als bepaald door het gerechtshof is de moeder een dwangsom verschuldigd.

De volledige tekst van beslissing van het Gerechtshof

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 4 mei 2017

Zaaknummer: 200.130.819/01

Zaaknummer eerste aanleg: 246378 / FA RK 12-2107

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.M.M. Mikkers,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. E. Kweens.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

– de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

5De beschikking van 3 september 2015

 

Bij die beschikking heeft het hof een deskundigenonderzoek gelast, te verrichten door mevrouw mr. L. Stam en de heer drs. R. Melcherts, in de vorm van een ouderschapsonderzoek en heeft de zaak aangehouden tot 1 januari 2016, pro forma.

 

6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

– de brief van mr. Stam van 10 mei 2016 met als bijlage het voorlopig deskundigenbericht d.d. 10 mei 2016;

– het faxbericht van mr. Stam van 30 januari 2017 waarin zij het hof informeert niet ter zitting aanwezig te zullen zijn;

– het V-formulier van 31 januari 2017 met bijlagen van de advocaat van de moeder.

6.2.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 februari 2017. Bij die gelegenheid zijn partijen – bijgestaan door hun advocaten – gehoord.

Namens de raad is mr. [vertegenwoordiger van de raad] verschenen.

6.3.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling in hoger beroep, in afwezigheid van partijen en de raad, door het hof in raadkamer gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

6.4.

Na de zitting heeft het hof van [minderjarige 1] een brief ontvangen waarin zij aangeeft dat zij zich niet prettig voelt over het op 2 februari 2017 gehouden kinderverhoor en dat zij graag nogmaals haar mening wil geven. Het hof heeft dit verzoek ingewilligd en heeft [minderjarige 1] op 10 maart 2017 nogmaals in raadkamer gehoord. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld om op de inhoud daarvan te reageren. Van deze gelegenheid hebben beide ouders gebruik gemaakt door het hof een V-formulier met bijlagen te sturen: de vader op 3 april 2017 en de moeder op 5 april 2017.

 

7De verdere beoordeling

7.1.

Tussen partijen is in geschil de zorgregeling tussen de vader en de minderjarige kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (thans 12, 11 en 8 jaar oud). Bij de bestreden beschikking van 21 juni 2013 heeft de rechtbank een opbouwende regeling vastgesteld waaraan tot op heden geen uitvoering is gegeven.

De moeder is, kort gezegd, van mening dat er geen contact tussen de vader en de kinderen dient te zijn. De vader wenst naleving van de zorgregeling zoals deze bij de bestreden beschikking is bepaald.

7.2.

Het hof constateert uit de inhoud van de stukken dat het laatste begeleide contact tussen de vader en de kinderen heeft plaatsgevonden in het Omgangshuis in mei 2012.

7.3.1.

In hoger beroep luiden de standpunten van partijen als volgt.

 

De moeder

7.3.2.

Ten onrechte is de rechtbank voorbij gegaan aan het feit dat het omgangshuis De Combinatie zich op het standpunt heeft gesteld dat er zowel voor de moeder als voor de kinderen hulpverlening nodig is, zodat na een positieve afronding van die hulpverlening opnieuw kan worden bekeken of en zo ja op welke wijze er contact kan zijn tussen de kinderen en de vader. De moeder heeft de benodigde psychische hulpverlening voor de kinderen ingeschakeld. De psycholoog heeft aan de raad aangegeven, althans bedoeld aan te geven dat, zolang de kinderen onder behandeling zijn, de door de vader verzochte zorgregeling niet kan plaatsvinden omdat dit de therapie van de kinderen kan frustreren. Het is niet in het belang van de kinderen om nu een onbegeleide omgangsregeling met de vader te bewerkstelligen.

Ten onrechte heeft de rechtbank vraagtekens gezet bij de conclusie in het raadsrapport

dat de vader zou moeten werken aan vermoedelijk onderliggende persoonlijke problematiek. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de conclusie van de raad op dit punt niet op een correcte wijze tot stand is gekomen. De vader kampt met problemen waarvoor hij de hulpverlening nodig heeft. De vader is door een eerstelijns psycholoog doorverwezen naar Herlaarhof voor derdelijns psychologie, hetgeen de vader ter zitting van de rechtbank niet heeft gemeld.

De rechtbank heeft verder ten onrechte geconstateerd dat het contact tussen de kinderen en

de vader op een zo kort mogelijke termijn moet worden hersteld en dat dit aansluit bij

wat de psycholoog van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de raad heeft verklaard.

De moeder is niet tegen omgang tussen de vader en de kinderen, maar deze mag geen extra belasting voor de kinderen opleveren. Zij moeten weer de rust kunnen vinden en kind kunnen zijn. Ook dient eerst hun vertrouwen in de vader te worden hersteld. Het is de moeder niet gebleken dat de vader zijn eigen belang ondergeschikt maakt aan de belangen van de kinderen. Hij dient te erkennen dat hij psychische hulp nodig heeft om die vervolgens te accepteren. Zodra de psycholoog meldt dat de vader in staat is om op een goede, constructieve en veilige manier met de kinderen te kunnen omgaan en dat hij de kinderen niet onnodig belast, kan er worden gekeken op welke wijze het contact tussen vader en de kinderen kan worden hersteld.

Ter zitting van het hof van 2 februari 2017 heeft de moeder hieraan toegevoegd dat zij pas op een langere termijn een eventuele rol van de vader in het leven van de kinderen ziet indien de kinderen zelf aangeven dat zij behoefte hebben om hem te zien. Op dit moment ziet zij echter geen enkele mogelijkheid om het contact tussen de vader en de kinderen te herstellen.

 

De vader

7.3.3.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de kinderen op een zo kort mogelijk termijn weer contact met de vader moeten krijgen. De moeder geeft een onjuiste uitleg aan de verklaring van de psycholoog zoals opgenomen in het raadsrapport: niet de zorgregeling frustreert de psychologische hulpverlening, doch de onduidelijkheid daarover. De door de rechtbank vastgestelde zorgregeling neemt deze onduidelijkheid juist weg. De psychologische hulpverlening dient vervolgens naast de contactmomenten te worden toegepast, zodat hieraan ook de nodige ondersteuning kan worden gegeven.

De rechtbank heeft verder terecht geoordeeld dat nergens uit blijkt dat er bij de vader sprake

is van onderliggende persoonlijke problematiek op grond waarvan er geen contact tussen de

vader en de kinderen plaats kan vinden. De door de vader bezochte psycholoog heeft geen

diagnose kunnen stellen en heeft de vader gewezen op Herlaarhof, aangezien daar een

module ‘Vechtscheiding’ wordt aangeboden. De vader stelt dat het in het belang van partijen

is dat zij gezamenlijk (inclusief de kinderen) psychologische hulp inschakelen ter

verwerking van de echtscheiding, waartoe hij ook bereid is. De moeder brengt haar emoties

over de echtscheiding en de vader over op de kinderen waardoor zij een niet-realistisch beeld

van de vader hebben. Alleen indien de kinderen daadwerkelijk ervaren hoe de vader is,

kunnen zij een realistisch beeld van hem krijgen.

Ter zitting van het hof van 2 februari 2017 heeft de vader hieraan toegevoegd dat hij het heel erg zou vinden als er geen zorgregeling met de kinderen wordt vastgesteld. Indien het contact wordt hersteld, begrijpt de vader dat de kinderen aan hem moeten wennen en dat het contact opnieuw, in een langzaam tempo, moet worden opgebouwd.

7.4.

Uit het voorlopig deskundigenbericht van 10 mei 2016 blijkt dat de deskundigen weinig beweging bij de moeder zien en dat de moeder geen ruimte zal en kan geven om de kinderen hun eigen verhaal en ontwikkeling te laten volgen. Druk op de moeder om een stap te zetten tot het onderzoeken van positief ouderschap, heeft een contra-effect tot gevolg waardoor de moeder steeds minder haar eigen verantwoordelijkheid neemt.

Volgens de deskundigen ziet de vader zijn eigen aandeel beter; hij kan zijn rol meer zien en uitleggen waar zijn frustraties en machteloosheid vandaan komen.

De deskundigen vinden het van belang dat de kinderen een eigen stem krijgen in de gesprekken en stellen daarom voor dat een bijzondere curator wordt benoemd die met de kinderen kan spreken en die de stem van de kinderen kan vertolken.

7.5.

De raad heeft ter zitting van 2 februari 2017 verklaard dat de kinderen hun vader niet mogen kwijtraken en dat het contact dient te worden hersteld. De afgelopen jaren is er geen enkele vooruitgang geboekt en de houding van de moeder werkt door op de kinderen. De raad acht een voor alle kinderen gelijkluidende regeling het meest wenselijk. Hoe de ouders hier in de praktijk vorm aan zullen geven, wenst de raad aan de ouders over te laten.

De raad ziet tot slot geen toegevoegde waarde in het benoemen van een bijzondere curator.

 

Het hof overweegt als volgt.

7.6.1.

Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a, lid 2, aanhef en onder a, BW, een zorgregeling vaststellen.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

 

Het hof neemt hierbij het volgende in aanmerking.

7.6.2.

Het uitgangspunt van de wetgever is dat een regelmatige en onbelaste omgang van kinderen met hun beide ouders voor hun evenwichtige ontwikkeling van groot belang is.

Dit geldt in dit geval temeer gezien de leeftijdsfase van de kinderen. In de fase van de puberteit ontwikkelen kinderen hun eigen identiteit en in die fase is het van belang dat zij zich een eigen oordeel over ieder van hun ouders kunnen vormen. Van de ouders mag worden verwacht dat zij hun problemen, percepties en gevoelens ondergeschikt maken aan dit belang van de kinderen, zodanig dat zij een onbelaste omgang met de andere ouder kunnen faciliteren.

Het hof stelt vast dat, hoewel het huwelijk van partijen vijf jaar geleden door echtscheiding is ontbonden en er in de jaren na de echtscheiding een intensieve bemoeienis van de hulpverlening is geweest, het niet is gelukt gedurende de afgelopen vier jaar omgang van de kinderen met de vader tot stand te brengen, zelfs niet in begeleide vorm.

Het hof overweegt dat er geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die aanleiding geven om de vader op grond van het bepaalde in artikel 1:377a lid 3 BW het recht op omgang met de kinderen te ontzeggen, en indien en voor zover de moeder dit al heeft willen stellen, zij onvoldoende heeft aangevoerd om dit te onderbouwen en aannemelijk te maken.

7.6.3.

Het hof heeft geconstateerd dat er gedurende de afgelopen vier jaar, waarin er geen contact van de kinderen met de vader is geweest, sprake is geweest van toenemende problemen rondom de kinderen, die aanleiding hebben gegeven tot voortgezette inzet van de hulpverlening. In de jaren na de echtscheiding zijn de ouders er helaas niet in geslaagd hun communicatie zodanig te verbeteren en hun eigen belangen ondergeschikt te maken aan die van de kinderen. Naar moet worden aangenomen heeft deze situatie bijgedragen aan de huidige, manifeste problematiek van de kinderen.

7.6.4.

Het hof stelt voorop dat, gegeven de huidige problemen van de kinderen, hun belang thans vereist dat deze impasse wordt doorbroken. Van beide ouders, derhalve ook van de moeder, wordt verwacht dat zij hun gevoelens en percepties ten opzichte van elkaar ondergeschikt maken aan het belang van de kinderen bij een gezond en evenwichtig opvoedingsklimaat.

Het hof is van oordeel dat beide ouders hier zonder uitstel, desgewenst met inzet van hulpverlening aan dienen te werken, aangezien de huidige situatie tot zodanige problemen bij de kinderen heeft geleid dat in het belang van de kinderen verdergaande maatregelen in het verschiet liggen teneinde de kinderen de gelegenheid te bieden zich evenwichtig te ontwikkelen. Indien de ouders hiertoe niet in staat blijken te zijn, acht het hof het aannemelijk dat de kinderen zodanig tussen de ouders klem raken dat hun ontwikkeling ernstig zal worden bedreigd.

Het is dan aan de raad te beoordelen of in het belang van de kinderen verdergaande maatregelen zijn vereist, en indien gewenst, de rechter te verzoeken deze verdergaande maatregelen te treffen.

7.6.5.

Het hof overweegt ten aanzien van hetgeen is gesteld over de gevoelens van de kinderen jegens de vader nog het navolgende.

Uit de inhoud van de stukken en uit de gesprekken die het hof met [minderjarige 1] heeft gehad, heeft het hof vastgesteld dat [minderjarige 1] een grote weerstand toont tegen haar vader. [minderjarige 1] heeft het hof verteld dat zij haar vader nooit meer wil zien en dat hij niet meer in haar hart zit; hij voelt niet meer als ‘vader’.

Hoewel het hof begrijpt dat er zich in het verleden mogelijk gebeurtenissen hebben voorgedaan die [minderjarige 1] een vervelend gevoel hebben gegeven, is het hof van oordeel dat de gebeurtenissen die [minderjarige 1] ter verklaring van haar gevoelens heeft aangevoerd, niet van zodanig ingrijpende aard zijn dat deze naar redelijke maatstaven thans, ruim vijf jaar later, aan contact met de vader in de weg zouden kunnen staan. Het hof acht het uitermate zorgwekkend dat [minderjarige 1] te kennen heeft gegeven op geen enkele wijze nog contact met haar vader te willen hebben.

Het hof overweegt hierbij verder dat niet valt uit te sluiten dat de door de deskundigen gesignaleerde negatieve houding van de moeder jegens de vader en haar onwil om het contact van de kinderen met de vader te faciliteren een ongunstige invloed op de houding van de kinderen jegens de vader heeft gehad en dat hun weerstand (althans de weerstand van [minderjarige 1] ) tegen contact met hem hier mede op is gebaseerd en wellicht zelfs deze weerstand heeft vergroot. Het hof ziet dit bevestigd door de waarnemingen van de deskundigen van Herlaarhof die constateren dat de kinderen in hun uitingen over de vader mede worden gestuurd door hun moeder en van haar geen vrijheid krijgen een eigen mening naar voren te brengen over de wenselijkheid van herstel van contact met de vader. Naar het oordeel van het hof is het, gezien deze door de deskundigen gesignaleerde sturing door de moeder, de vraag in hoeverre de kinderen thans blijk geven van hun werkelijke gevoelens, en in hoeverre zij in hun uitlatingen over hun vader door de moeder zijn gestuurd.

Het hof kan mede op deze grond in de uitlatingen van de kinderen geen aanleiding zien om over de wenselijkheid de kinderen in de gelegenheid te stellen tot onbelast contact met beide ouders tot een ander oordeel te komen.

7.6.6.

Hoewel er in beginsel voldoende aanleiding bestaat om de bestreden beschikking volledig te bekrachtigen, ziet het hof de voornoemde omstandigheden in aanmerking nemende aanleiding om thans een beperkte zorgregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen, nu de vader en de kinderen al gedurende meerdere jaren geen contact meer hebben gehad. Het hof volgt de vader in zijn stelling dat de kinderen enige tijd moet worden gegund om weer aan de omgang met hem te wennen.

Het hof zal dan ook, mede gelet op het feit dat de kinderen op dit moment nog weerstand hebben tegen contact met de vader, een zorgregeling vaststellen met een frequentie conform de eerste en de tweede fase van de bestreden beschikking, alles zoals hierna in het dictum bepaald. Daarbij acht het hof het wenselijk dat bij de opbouw van het contact de vader rekening houdt met de eerder uitgesproken wens van de kinderen om hem alleen te ontmoeten zonder zijn huidige partner en haar kinderen en er om die reden voor zorgt dat zijn huidige partner en haar kinderen in elk geval niet bij de eerste zes contactmomenten aanwezig zijn. Op die manier kunnen de vader en de kinderen hun aandacht gedurende deze opbouwfase volledig op elkaar richten en niet tevens op de partner van de vader en haar kinderen. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat de kinderen de huidige partner van de vader en haar kinderen niet of nauwelijks kennen. Daarom zal het hof bepalen dat de eerste zes omgangsmomenten zullen plaatsvinden buiten aanwezigheid van de huidige partner van de vader en haar kinderen.

Verder acht het hof het wenselijk dat de twee jongste kinderen in de eerste fase nog zonder hun zus [minderjarige 1] bij de vader zijn. Daarom zal tevens worden bepaald dat [minderjarige 1] op de eerste drie omgangsmomenten nog niet meegaat naar de vader.

Eventuele uitbreiding of aanpassing van de vast te stellen contactregeling is op termijn uiteraard mogelijk in onderling overleg tussen de ouders.

7.6.7.

Het hof overweegt verder dat – in het belang van de kinderen – van de moeder een fundamenteel andere benadering en houding mag worden verlangd en dat het op haar weg ligt om zo nodig met deskundige hulp het contactherstel tussen de kinderen en de vader te faciliteren en de kinderen hierbij ondubbelzinnig te ondersteunen. Het is aan de moeder, als primair verzorgende ouder, om de kinderen intensief en positief op de contacten met de vader voor te bereiden en de kinderen te begeleiden en te stimuleren bij het contactherstel met de vader. In het belang van de ontwikkeling van de kinderen mag van de moeder hierin zonder meer een veel grotere inspanning worden verwacht dan zij tot op heden heeft verricht.

Het hof overweegt voorts dat na verloop van bijna vijf jaar (het inleidend verzoek van de vader tot echtscheiding dateert immers van 20 april 2012) mag worden verwacht dat de moeder het belang van de kinderen laat prevaleren boven haar eigen gevoelens en dat zij het echtscheidingstrauma zodanig heeft verwerkt dat dit niet meer in de weg staat aan de nakoming van de zorgregeling. Zo nodig zal de moeder hiertoe gerichte hulpverlening moeten zoeken.

 

Dwangsom

7.7.

De vader heeft ter zitting van 2 februari 2017 verzocht om een dwangmiddel te verbinden aan de nakoming van de zorgregeling. Gezien de houding van de moeder in het verleden en ook thans, waarin er door haar nog steeds geen uitvoering wordt gegeven aan de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde zorgregeling zoals door de rechtbank vastgesteld bij de bestreden beschikking, is het hof van oordeel dat een dwangsom voor de moeder kennelijk noodzakelijk is om te waarborgen dat het contact tussen de vader en de kinderen daadwerkelijk tot stand komt en om de moeder voldoende te bewegen mee te werken aan de uitvoering van de zorgregeling.

Het hof acht een dwangsom van € 250,= voor iedere keer dat de moeder de bij deze beschikking vastgelegde zorgregeling niet of gedeeltelijk niet nakomt, hierbij passend, zulks tot een maximum van € 10.000,=.

 

Bijzondere curator

7.8.

Het hof gaat tot slot voorbij aan het advies van de deskundigen om een bijzondere curator te benoemen. Het hof overweegt daartoe dat de stem van [minderjarige 1] in raadkamer tijdens de verhoren op 2 februari en 10 maart 2017 is gehoord en dat de meningen van de kinderen ook uitgebreid aan de orde zijn gekomen in de rapportage van de raad (28 februari 2013), in de zorgmelding van Herlaarhof (14 januari 2015) en in het Evaluatieplan van het Centrum Jeugd en Gezin (23 oktober 2015). De kinderen zijn door deze instanties gehoord en in hun gedrag geobserveerd. Het hof verwacht niet dat de rol van een bijzondere curator van toegevoegde waarde is, nu de stem van de kinderen binnen deze procedure uitvoerig is gehoord en voor het hof de mening van de kinderen – dat zij geen contact met de vader wensen – volstrekt duidelijk is.

7.9.

De bestreden beschikking dient te worden vernietigd en beslist wordt als volgt.

 

8De beslissing

 

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw rechtdoende:

 

stelt inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de minderjarigen:

  • – [minderjarige 1] (geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] );
  • – [minderjarige 2] (geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] );
  • – [minderjarige 3] (geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] );

de volgende regeling vast:

– gedurende de eerste drie maanden na de dag waarop deze beschikking wordt gegeven:

o éénmaal per veertien dagen, de eerste maal op zaterdag 13 mei 2017 en de tweede maal op zondag 28 mei 2017 en zo vervolgens, telkens afwisselend op zaterdag en zondag van 11.00 uur tot 16.00 uur, alles met dien verstande dat de eerste zes omgangsmomenten zullen plaatsvinden buiten aanwezigheid van de partner van de vader en haar kinderen en voorts, dat [minderjarige 1] tijdens de eerste drie omgangsmomenten nog niet meegaat naar de vader;

– en daarna:

o iedere veertien dagen, afwisselend de ene keer op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur na het eten en de andere keer op zondag van 11.00 uur tot 17.00 uur voor het eten;

 

bepaalt dat de moeder voor iedere niet-nakoming of gedeeltelijke niet-nakoming van deze beschikking een dwangsom van € 250,= per keer verbeurt, zulks tot een maximum van € 10.000,=;

 

wijst af het meer of anders verzochte.

 

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, H. van Winkel en H.M.A.W. Erven en op 4 mei 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.