Kinderbescherming en valkuilen

Kinderbescherming en valkuilen

Deel 3: een OTS voor jou!

Voor jongeren vanaf 12 jaar

Dit is de 4e versie van Kinderbescherming en valkuilen deel 3: Een ots voor jou!,
in 1999 geschreven op basis van deel 1 door Truus Barendse met een werkgroep bestaande uit Peter Prinsen (advocaat), Ben van Drosthagen en Yvonne van Lijden (KOG), Alice Jansen en Tjebbe Strubbe (LOGA), Ipe Smit (Ouders voor Kinderen), Riet Jefferies, Annet Meulendijks en Krista Werker (De Noodkreet), en uitgegeven door Platform SCJF.
Ouders voor Kinderen en Platform SCJF zijn opgeheven.
KOG heeft voor de website de tekst in mei 2004 bijgewerkt, in januari 2005 herzien in verband met de Wet op de jeugdzorg, in december 2005 aangevuld.

Deze informatie is dus bestemd voor jongeren vanaf 12 jaar. Niet vanaf ongeveer 12, maar vanaf precies 12. Vanaf je 12e verjaardag heb je namelijk rechten die je voor die tijd niet hebt. Het is dus interessant voor wie tussen de 12 en de 18 is en te maken zal krijgen of te maken heeft met AMK/Bureau jeugdzorg of de Raad voor de Kinderbescherming.

Maatregelen van kinderbescherming

GESCHIEDENIS

De geschiedenis van de kinderbescherming zal je waarschijnlijk worst wezen. Toch zijn een paar dingen aardig om te weten, want die maken begrijpelijker wat er soms gebeurt.

Ongeveer 100 jaar geleden waren er nogal wat mensen die ervan overtuigd waren dat kinderen crimineel werden door verwaarlozing en mishandeling. Als kinderen zich crimineel gedroegen was dat dus de schuld van hun ouders. Criminele kinderen vernielen en jatten, dus misschien vond iemand verwaarlozing en mishandeling wel helemaal niet erg, maar was hij er toch tegen, omdat die verwaarloosde krengen je geld stelen en krassen op je glanzende koets maken. Om iets tegen dat hinderlijke criminele gedrag te doen werden de voogdijraden ingesteld, en die gingen in 1956 raden voor de kinderbescherming heten.

Dat is wat nu de Raad voor de Kinderbescherming heet.

HOE IS HET NU?

Sinds 1 januari 2005 is er in iedere provincie een Bureau jeugdzorg. Bureau jeugdzorg heeft een afdeling Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). Dit AMK en ook de rest van Bureau jeugdzorg heeft een aantal taken, o.a. de taak van de “oude” Raad voor de Kinderbescherming. De Raad voor de Kinderbescherming blijft gewoon bestaan. Vroeger gingen mensen naar de RvdK als zij vonden dat er iets aan de hand was met een kind, tegenwoordig naar het AMK. Dit AMK doet nu een onderzoekje en als het AMK ook vindt dat er iets moet gebeuren, geeft het AMK dat door aan de Raad voor de Kinderbescherming. Ook de RvdK doet een onderzoek en doet vervolgens wat hij altijd al deed: aan de kinder-rechter vragen om een maatregel van kinderbescherming op te leggen. Ondertoezichtstelling dus, of ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing.
Dat is dus de eerste manier waarop je in aanraking kunt komen met de RvdK en de kinder-rechter: iemand heeft zich “zorgen over je gemaakt” en het AMK ingeschakeld. (Natuurlijk kun je ook bij de kinderrechter terechtkomen doordat je je crimineel gedraagt, maar daar hebben we het hier niet over.)
De tweede manier waarop je in aanraking kunt komen met de RvdK en de kinderrechter is dat je ouders of jijzelf een gesprek gevraagd hebben op Bureau jeugdzorg. Jullie vragen advies. Maar: op Bureau jeugdzorg kijkt iedere medewerker altijd “met beschermersogen”. Hij denkt: als dat kind gedragsproblemen heeft, is er waarschijnlijk iets aan de hand in het gezin: mishandeling, verwaarlozing, misbruik, drugs. Een kind doet niet zomaar lastig. Misschien moet het kind beschermd worden tegen zijn ouders. Als je niet het risico wilt lopen dat mensen dat gaan denken, blijf dan weg van Bureau jeugdzorg.

De Raad voor de Kinderbescherming wil inderdaad zoals de naam zegt kinderen beschermen, maar dan alleen tegen hun eigen ouders. Dat is te snappen als je naar de geschiedenis kijkt, zo is de Raad ontstaan: om kinderen te beschermen tegen hun mishandelende en verwaarlozende ouders.

Sommige kinderen moeten werkelijk beschermd worden tegen hun eigen ouders.

Als die ouders hun kinderen (seksueel) misbruiken of mishandelen moeten de kinderen inderdaad beschermd worden. (Het klinkt je misschien raar in de oren, maar als ouders hun kinderen misbruiken of mishandelen hoeft dat nog niet te betekenen dat ze niet van die kinderen houden. Misschien zijn het bijvoorbeeld alleen maar verschrikkelijke klunzen die niet wisten hoe ze de kinderen moesten leren om te doen wat er gezegd wordt toen ze nog klein waren.)

Over verwaarlozen praten we maar niet, want als je 12 (of zelfs ouder) bent hoef je niet meer verzorgd te worden. Het is natuurlijk lekker als je ouders van alles voor je doen, maar het hoeft niet. Je bent oud en wijs genoeg om zelf een ei te bakken en de wasmachine te laten draaien. Als je dat niet kunt moet je zorgen dat je het vandaag nog leert.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft bijnamen, in Amsterdam heet hij tegenwoordig de ‘Raad voor de Kinderbeschadiging’, vroeger heette hij ‘de kinderdief’. Iemand heeft ons verteld dat hij na de dood van zijn vader alleen woonde met zijn moeder en zijn broertje. Zijn moeder werkte, en ze was altijd bang dat de jongens iets uit zouden halen als ze niet thuis was, en de politie er aan te pas zou komen. “Die schakelen de Raad voor de Kinder-bescherming in jongens, gedraag je in vredesnaam anders komt de kinderdief!”

Die moeder dacht dat de Raad als het ware op de loer lag om overal waar er misschien ook maar iets aan de hand zou kunnen zijn de kinderen te gaan beschermen tegen hun ouders. Als haar kinderen bijvoorbeeld zouden stelen zou de politie misschien merken dat ze helemaal alleen thuis waren. En voor je het weet wordt er dan gezegd dat die arme kinderen verwaarloosd worden. En u ziet al wat ervan komt: appeltjes pikken bij de groenteboer!
Zij dacht dat de Raad zoveel mogelijk klanten zocht. Waarschijnlijk had ze gelijk. En waarschijnlijk heeft ze nog steeds gelijk, maar wordt het “opspoorwerk” tegenwoordig gedaan door de bureaus jeugdzorg, schoolmaatschappelijk werk, door de GGD met spreekuren in scholen en door de schoolartsen, die de kinderen en de ouders (schriftelijk) het hemd van het lijf vragen.

Het is logisch: de bakker wil dat je veel brood eet, de kledingzaak zou het verschrikkelijk vinden als je drie seizoenen hetzelfde model broek droeg, de Raad voor de Kinder-bescherming wil veel kinderen beschermen tegen hun ouders. Waar je je geld mee verdient, dat vind je belangrijk en dat wil je uitbreiden.

Ligt dat anders denk je? De bakker verdient meer als hij veel verkoopt, de kledingzaak kan leuk uitbreiden als jullie je kasten vol stouwen, maar de Raad is gewoon de Raad?

Alles wat bestaat wil altijd uitbreiden. Dat is dus eigenlijk precies hetzelfde.

Maar: het is precies hetzelfde maar dan heel anders! Want als er oud brood verkocht wordt, of als er iemand in de kledingzaak staat die je afbekt, ga je naar een andere winkel. En de Raad? Die is inderdaad gewoon de Raad! Je hoeft niet tevreden te zijn, er zijn alleen maar gedwongen klanten.

Soms gaan ouders zelf naar een bureau jeugdzorg omdat ze denken dat je er hulp of advies kunt krijgen. Dat komt door de naam: jeugdzorg doet denken aan gezondheidszorg. Ouders willen soms gauw een eind maken aan die contacten als ze merken dat Bjz ze een bepaalde hulp wil opdringen en als ze die weigeren dreigt met de Raad voor de Kinderbescherming. Want terwijl ouders denken dat er gewoon een probleem is waar zij advies bij kunnen gebruiken, denken medewerkers van Bjz of de Raad vaak dat die ouders gedwongen moeten worden om een bepaalde oplossing te aanvaarden. Ouders zeggen vaak: “Je vraagt hulp, en je krijgt een maatregel, en geen hulp.”

De Raad heeft in 1999 een tevredenheidsonderzoek onder klanten gedaan. Daaruit bleek dat ongeveer de helft tevreden was. Een winkel zou dan al gauw failliet zijn, maar de klanten van de Raad hebben niets te kiezen. Raadsmedewerkers hoeven dus niet zo goed mogelijk te werken om hun klanten te houden. Dat wil niet zeggen dat ze niet zo goed werken als ze kunnen, maar ze doen dat dus niet om hun klanten te houden.

Over klanten van de Raad gesproken: de Raad beschouwt sinds kort alleen minderjarigen (mensen onder de 18 dus) als klanten, en ze heten cliënten. De term cliënten gebruiken we voor klanten van een advocaat, een notaris. De Raad gebruikt de term ook voor zijn klanten, maar het zijn dus onvrijwillige klanten, en ze zijn onder de 18. Onvrijwillig betekent niet dat ze niet willen, maar wel dat het niet uitmaakt of ze willen. Als de Raad zegt dat jij een cliënt bent van de Raad, dan ben je dat. Wil je helemaal niet beschermd worden tegen je ouders? Nou jammer dan.

Van alle klanten van de Raad krijgt ongeveer de helft een ondertoezichtstelling, van alle kinderen met een ondertoezichtstelling wordt weer ongeveer de helft uit huis geplaatst.
Dat leggen we verderop uit.

De wet zegt: Indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, kan de kinderrechter hem onder toezicht stellen van … (art. 254 lid 1 van boek I van het Burgerlijk Wetboek).

Het is normaal dat ouders het ouderlijk gezag over hun kinderen hebben. Dat betekent niet dat je je kamer meteen gaat opruimen als je ouders dat tegen je zeggen, maar wel dat zij bepalen wat er met je mag gebeuren. Ze moeten bijvoorbeeld toestemming geven voor een medische behandeling (tot je 16e).

Maar in de wet staan verschillende zogenaamde kinderbeschermingsmaatregelen:
1. Ondertoezichtstelling. 2. Uithuisplaatsing. 3. Ontheffing van het ouderlijk gezag.
4. Ontzetting uit het ouderlijk gezag.

Bij ontheffing en ontzetting raken je ouders het ouderlijk gezag over je kwijt. Het gezag gaat dan naar een voogdij-instelling. Het verschil tussen ontheffing en ontzetting is, dat bij ontzetting er eigenlijk gezegd wordt tegen de ouders: jullie moeten je schamen. Verder is het hetzelfde: ze raken het gezag kwijt.

Wij kennen geen geval van ontzetting; wel hebben wij een aantal malen vermoed dat ouders ontheven werden omdat ze “lastig” waren. De kinderen waren namelijk uit huis geplaatst en de ouders bleven maar zeggen dat ze veel meer contact met hun kinderen wilden.

De uithuisplaatsing: het woord zegt het al. Je komt (tijdelijk) ergens anders te wonen, men plaatst je uit huis.

Bij ondertoezichtstelling houden de ouders wel het gezag, maar zij (en de kinderen) moeten “hulp en steun” van de gezinsvoogd accepteren.

De gezinsvoogd moet zich dus met de opvoeding van de kinderen bezighouden en heeft ook werkelijk wat te zeggen. Hoewel, werkelijk … .

Wij vermoeden dat de meeste ouders van wie de kinderen een ondertoezichtstelling hebben wel gewoon voor hun kinderen kunnen zorgen zonder dat zij gedwongen zijn bepaalde hulp te accepteren. Nederland heeft van heel West-Europa de meeste gedwongen hulp, want dat is een ots dus. Waarschijnlijk zegt dat niet veel over de Nederlandse ouders, maar meer over de Nederlandse jeugdzorg.

Het kan twee dingen betekenen, en ook nog die twee dingen samen:
– de Nederlandse overheid heeft meer last van regelzucht dan de overheid in andere Europese landen;
– de Nederlandse jeugdzorg is zo slecht dat veel ouders na een poosje zeggen: hier heb ik niks aan, wij stoppen ermee; de hulpverlener vraagt dan een ots aan of laat een ots aanvragen, en dan ben je daarna gedwongen die slechte “hulp” te accepteren.

Vergelijk het met de bakker: u vindt dit brood oud, u wilt van bakker veranderen? Mooi niet! De politie komt erbij en blijft erbij staan om te kijken of je dat oude brood wel opeet.

Door zo’n kinderbeschermingsmaatregel gaat de staat zich met je opvoeding bemoeien. Wat moet je je daarbij voorstellen?

Zolang het alleen een ondertoezichtstelling is: niet veel. Het Ministerie van Justitie geeft een blad uit, de Justitiekrant. In de Justitiekrant van 28 april 2000 stond een artikel ‘Kinderen bescherm je niet vanachter je bureau vandaan’. Daar stond in: “Gezinsvoogden hebben gemiddeld 24 kinderen onder zich, waardoor zij per maand gemiddeld een à anderhalf uur kunnen besteden aan direct contact met deze kinderen en hun ouders. … Doordat de gezinsvoogd in veel gevallen te weinig tijd heeft om zijn of haar werk goed te doen, escaleert de situatie binnen veel gezinnen met als gevolg dat kinderen vaker uit huis geplaatst moeten worden.” En een stukje verderop over ouders: “Die mensen zijn al bij de rechter geweest die hen heeft verteld dat ze gefaald hebben.” (dus dat ze geen goede ouders zijn geweest)

Krasse taal. Kinderrechters zeggen zoiets niet. Maar door de ondertoezichtstelling op te leggen zeggen ze dat eigenlijk wel. De kinderrechter maakt immers duidelijk dat hij het nodig vindt dat ook iemand anders dan je ouders zich met je opvoeding gaat bezighouden.

Als “jouw” gezinsvoogd iedere maand een uurtje met je praat hindert dat natuurlijk niet. Misschien heb je er zelfs iets aan. Maar omdat wij weten dat de helft van alle onder toezicht gestelde kinderen uit huis geplaatst wordt, is ons advies toch altijd: probeer er zo gauw mogelijk vanaf te komen. Aan advies en steun is altijd wel op een andere manier te komen.

Met een ots is het net als met de hik: het is niet erg, maar je wilt er meestal wel af, en dat kan nog knap lastig zijn.

JE HEBT NOG GEEN OTS

Er is een melding binnengekomen bij een AMK (Bureau jeugdzorg) van bijvoorbeeld mishandeling. Dat kan terecht zijn. Dat kan ook onterecht zijn. Mensen beelden zich soms iets in, sommige mensen maken zich graag interessant, en er zijn ook mensen die iemand gewoon een loer willen draaien.

Gaat het AMK in op de melding over jou, dan word je opgeroepen voor een gesprek.

Nu moet jij beslissen: voel jij je eigenlijk niet veilig thuis? Zou je wel hulp en steun kunnen gebruiken? Zou je wel uit huis geplaatst willen worden?

Als je wel uit huis geplaatst zou willen worden, ga dan naar het AMK toe en vertel dat.

Als je absoluut niet uit huis geplaatst wilt worden moet je proberen ervoor te zorgen dat er ook geen ots komt (want de helft van de kinderen met een ots wordt uit huis geplaatst, en voor gewoon hulp en steun heb je geen ots nodig).

Aan de andere kant: als je 15 of ouder bent, is het eigenlijk niet zo heel interessant of er een ots komt of niet, met of zonder uithuisplaatsing. Want: als je eenmaal zo oud bent, kunt je gewoon doen en laten wat je ouders en jijzelf willen en over kinderrechters en gezinsvoogden je schouders ophalen. Tenminste: zolang je niet teveel spijbelt, je niet crimineel gedraagt en zolang je niet zwerft. Want als je dat wel doet wordt het heel andere koek, dan ga je namelijk naar een gesloten inrichting, of naar een jeugdgevangenis, en daar ben je zo maar niet weer uit. De wet zegt: “Deze machtiging (tot plaatsing in een gesloten inrichting dus) wordt slechts verleend, indien zij vereist is wegens ernstige gedragsproblemen van de minderjarige.”

Maar voor de meeste kinderen van 12, 13 of 14 is het buitensporig moeilijk om dwars in te gaan tegen wat een vreemde vindt dat ze moeten doen, zeker als die persoon werkelijk iets over ze te zeggen heeft; ook buitensporig moeilijk om stiekem terug naar huis te gaan als ze uit huis geplaatst zijn, zeker als ze in een aardig pleeggezin zitten. Dat lijkt dan namelijk zo verschrikkelijk onaardig tegenover de pleegouders.

Naar het AMK toegaan en je narigheid vertellen hoeven we niet uit te leggen. Dat kun je. Dat wil niet zeggen dat het makkelijk is, want je zult je misschien een vuile verrader voelen.

TEN ONRECHTE. Als de situatie thuis beroerd is mag je dat vertellen. Je ouders zijn verantwoordelijk voor jou, niet jij voor je ouders. En nogmaals: het hoeft helemaal niet te betekenen dat ze niet van je houden. Je merkt daar dan alleen niet zo heel erg veel van, en daar gaat het toch eigenlijk om.

Als je moeder bijvoorbeeld regelmatig total loss gedronken thuis komt en jou door de tent begint te meppen, is het helemaal niet raar als je dan graag uit huis geplaatst wilt worden. Dat is geen ontrouw. Als je vader bij wijze van spreken drie meiden tegelijk meebrengt en daar mee gaat liggen rollebollen is het logisch dat je liever een ander uitzicht hebt. Het is heel goed mogelijk dat iemand van zijn ouders houdt en het er toch niet bij uit kan houden.

Als je niet uit huis geplaatst wilt worden ga je proberen te zorgen dat er geen ots komt.

Maar nogmaals: eigenlijk is het onzin om je er druk over te maken.
We zeggen het nog maar weer eens: wij vermoeden dat veel ouders van wie de kinderen een ondertoezichtstelling hebben, wel gewoon voor hun kinderen kunnen en willen zorgen.

Dus zonder dat ze gedwongen worden een bepaalde “hulp en steun” te accepteren.

Ook horen wij soms het verhaal dat een ouder hulp zoekt omdat hij bijvoorbeeld alleen met de kinderen woont, overspannen of erg ziek is geworden en geen mensen heeft die kunnen inspringen. Bij thuiszorg zijn er soms enorme wachtlijsten, en als dat te lang duurt zit er vaak niets anders op dan de kinderen een poosje naar een pleeggezin te laten gaan. Maar als mensen niet zelf een pleeggezin kunnen vinden, dus gewoon het gezin van een klasgenoot bijvoorbeeld, krijg je niet zomaar een pleeggezin. Dat gaat alleen via de Raad voor de Kinderbescherming en een ots. Je hoeft dan dus helemaal niet tegen je vader of moeder beschermd te worden, maar je hebt toch een ots.

Ook sommige behandelingen kun je alleen krijgen als je een ots hebt. Een bepaalde training om je zo te gedragen dat je niet meer gepest wordt op school, wordt alleen gegeven aan kinderen met een ots.

Het volgende staat in het Burgerlijk Wetboek over de ots:

Artikel 254:
1. Indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald, of, naar is te voorzien, zullen falen, kan de kinderrechter hem onder toezicht stellen van een gezinsvoogdij-instelling als bedoeld in …
2. Hij kan dit doen op verzoek van een ouder, een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, of de raad voor de kinderbescherming, dan wel op vordering van het openbaar ministerie.

Dat is dus nogal wat: je zedelijke of geestelijke belangen (wat het verschil is weten wij ook niet precies) of je gezondheid worden ernstig bedreigd, en niets helpt. Maar we weten dus dat een ots soms opgelegd wordt terwijl een probleem niets met de ouders te maken heeft, of terwijl er nog helemaal niets geprobeerd is om het probleem op te lossen; dat de zaak soms zelfs omgedraaid wordt: eerst een ots, dan gaan wij proberen iets op te lossen, we gaan helemaal niet eerst iets proberen (denk aan de opmerking over de anti-pest-training).
Zo zit het dus. Het klopt niet, maar zo gaat het.

Realiseer je, dat het hele gedoe afhangt van jouw medewerking en, wat minder, de medewerking van je ouders. Als jullie werkelijk denken dat die hele ots onzin is, trek je er dan eenvoudig niets van aan. Word je uit huis geplaatst? Ga gewoon terug. Of ga voorlopig naar je oma. Dat is een kwestie van volhouden: er komt een moment dat de instanties besluiten dat je een eigenwijs mormel met eigenwijze ouders bent, en er een punt achter zetten.

Maar denk goed na, en praat er met andere mensen over: is die ots wel onzin? Of als het onzin is, is het dan misschien toch niet prettig om iemand te hebben met wie je over problemen kunt praten? Het is allemaal maar net hoe je het bekijkt: meestal raden we aan om te zorgen dat je van een ots afkomt omdat er een uithuisplaatsing op kan volgen, maar je kunt ook zeggen: als ik uit huis geplaatst word ga ik net zo vaak terug tot iedereen genoeg van me heeft en blij is dat ik weer opgehoepeld ben, dus waarom zou ik niet eens rustig proberen of ik iets heb aan die ots?

Als je die ots wel wilt is er dus geen probleem, als je hem niet wilt ga je proberen te zorgen dat hij er niet komt.
Hoe doe je dat?

Je kunt het op twee manieren aanpakken:

1) Je kunt weigeren met het AMK/Bureau jeugdzorg, en later met een raadsmedewerker te praten. Zeg tegen je ouders dat ze deel 1 van deze serie moeten lezen (de 1e druk ligt in veel bibliotheken en de 4e druk staat op deze site), en doe dat eventueel ook zelf. Ga niet naar het AMK toe, vraag aan je ouders of ze willen weigeren iemand thuis te ontvangen.
Goed onthouden: een medewerker van een AMK heeft nooit iets over je te zeggen, een medewerker van bureau jeugdzorg heeft ook niets over je te zeggen zolang de rechter nog geen ondertoezichtstelling heeft uitgesproken.
Let op: dat jij niet wilt praten betekent niet dat AMK/Bureau jeugdzorg niet over jou gaat rapporteren!
2) Je kunt ook op de uitnodiging voor een gesprek ingaan. Ga absoluut niet alleen. Zorg ervoor dat er een volwassene bij is. Beter niet een familielid, want dan kan er gezegd worden dat je niet vrijuit hebt durven praten. Je kunt ook vragen of iemand van KOG met je mee kan gaan (secretariaat: 023 – 5 32 12 23, en t.p.barendse@worldonline.nl).

Iemand meenemen die bij het gesprek aanwezig blijft is een recht, daar heb je geen toestemming voor nodig. Wij horen nog wel af en toe dat ook tegen volwassenen gezegd wordt dat het niet mag, of dat het van tevoren gemeld had moeten worden: gewoon onzin. Misschien kennen ze hun eigen regels niet allemaal goed genoeg.

Vraag van tevoren je dossier op bij het AMK. Je dossier, dat is alles wat het AMK over jou heeft. En ze hebben absoluut iets, anders werd je niet opgeroepen!

Ook als je niet gaat praten is het verstandig je dossier op te vragen, want dan weet je hoe het komt dat ze belangstelling voor je hebben gekregen.

Wij hebben de boekjes geschreven en deze website ingericht omdat wij de indruk hebben dat heel veel ouders en kinderen verschrikkelijk veel narigheid hebben door wat ‘kinder-bescherming’ heet, of sinds 2005 ‘jeugdzorg’. Er zijn kinderen die tegen hun ouders beschermd moeten worden, nogmaals, maar wij zijn eigenlijk bang dat er zo veel kinderen last hebben van jeugdzorg, of kinderbescherming, of hoe je het ook noemt, dat het misschien niet zou uitmaken als we de hele boel maar afschaften. Nu worden sommige mishandelde kinderen beschermd, die hebben er dus voordeel van, en andere helemaal niet mishandelde kinderen hebben er narigheid van. Die komen bijvoorbeeld in een tehuis zonder dat er thuis iets aan de hand was. Als je het allemaal afschaft, hebben de mishandelde kinderen die nu beschermd worden narigheid. Misschien zou de portie narigheid hetzelfde blijven, zouden alleen andere kinderen die narigheid hebben.

Maar we hebben er niets over te zeggen: jeugdzorg wordt heus niet afgeschaft. De naam ‘jeugdzorg’ is net zo slim gevonden als de naam Raad voor de Kinderbescherming. Mensen denken aan gezondheidszorg, en daar heeft bijna iedereen vertrouwen in. Je moet dus proberen ervoor te zorgen dat jij niet een van die mensen wordt die narigheid hebben van jeugdzorg.

Alle jeugdbescherming begint voor de jongere waar het om gaat bij het AMK, Bureau jeugdzorg of de raad voor de kinderbescherming. Meestal bij Bjz. Bjz doet misschien een melding bij de raad voor de kinderbescherming, en alles wat je op bjz verteld hebt gaat dan naar de raad. Kijk dus uit wat je daar zegt!

WIE WEET HOE DE RAAD EN OOK BUREAU JEUGDZORG DENKT EN WERKT, KAN DAAR REKENING MEE HOUDEN

1) Je kunt alle contact met de Raad weigeren, net zoals je alle contact met AMK en Bjz kunt weigeren. Als je dat doet hoef je de volgende punten niet te lezen, behalve het opvragen van je dossier (punt 3).

2) Kijk op http://www.kinderbescherming.nl. Daar staat hoe een raadsonderzoeker moet werken.

3) Vraag je dossier op of laten je ouders je dossier opvragen bij AMK, Bjz en RvdK. Ook het dossier van de schoolarts en je schooldossier. Hebben jullie thuiszorg gehad? Dossier!
http://www.kinderbescherming.nl zegt hierover: “Betrokkenen zijn degenen over wie gegevens zijn vermeld in de bij de Raad berustende bescheiden. De Raad kan ook aan minderjarigen jonger dan 12 jaar op een voor hen adequate wijze informatie verstrekken over de voor hen van belang zijnde aspecten van de raadsbemoeienis en de daarop betrekking hebbende bescheiden, rekening houdend met hun leeftijd, ontwikkelingsniveau en de aard van de informatie. Minderjarigen van 12 jaar en ouder worden in principe gelijkgesteld met betrokkenen. Niettemin is het mogelijk om, afhankelijk van het ontwikkelingsniveau en de aard van de informatie, aan minderjarigen van 12 jaar en ouder de gevraagde informatie op een leeftijdsadequate wijze te verstrekken.”

Aan navertelde of niet complete informatie heb je niets. Als je merkt dat je niet gewoon een kopie krijgt van alles wat er in je dossier zit, vraag dan aan je ouders of zij even het dossier opvragen.

Ze kunnen bijvoorbeeld schrijven:

Eigen naam en adres

Aan de directeur van de Raad voor de Kinderbescherming

Locatie Amsterdam (of wat het dan ook moet zijn)
Postbus 12345
Postcode 6789 AB Amsterdam

Je eigen woonplaats, datum

Betreft: jouw eigen naam

Geachte Heer/Mevrouw, (het is niet nodig te gaan informeren of het een man of een vrouw is; Heer/Mevrouw is altijd goed)

Met beroep op het Normenrapport Raad voor de Kinderbescherming en de wet openbaarheid van bestuur verzoek ik u mij binnen de door de wet gestelde termijn kopie te zenden van het dossier betreffende mijn zoon/dochter Pietje Puk.

Ik wil het volledige dossier ontvangen, inclusief professionele werkaantekeningen en telefoonnotities.

Hoogachtend,

Vraag of ze het aangetekend willen versturen met ontvangstbevestiging, of per koeriersdienst (dan heb je een bewijs van ontvangst), of persoonlijk afgeven aan de balie en bewijs van afgifte vragen, of per fax versturen en diezelfde dag per gewone post. Het gaat er maar om dat je een bewijs hebt dat je het hebt verstuurd. En bewaar altijd van alles een kopie voor jezelf. Dat geldt voor alles wat je ooit stuurt naar de Raad voor de Kinderbescherming. Het is werkelijk een mirakel wat daar allemaal niet weg kan raken.

4) Schrijf een briefje (aangetekend met ontvangstbevestiging, of per koeriersdienst, of enzovoort enzovoort, en een kopie voor jezelf bewaren!), dat je eerst je dossier wilt lezen en dan pas het gesprek voeren. Dan weet je namelijk waardoor de Raad belangstelling voor je heeft gekregen, want het is niet mogelijk anoniem te melden bij de Raad (anoniem wil zeggen zonder je naam te noemen).

Schrijf bijvoorbeeld:

Eigen naam en adres

Aan (naam van degene die je uitgenodigd heeft voor een gesprek)

Je eigen woonplaats, datum

Betreft: gesprek op (datum in de uitnodiging)

Geachte heer of mevrouw X,

Ik heb een oproep van u ontvangen voor een gesprek op (datum in de uitnodiging). Ik wil wel met u praten, maar ik heb nu mijn dossier opgevraagd en dat ga ik eerst lezen. Als ik het dossier heb ontvangen en gelezen zal ik een nieuwe afspraak met u maken.

Met vriendelijke groet,

Aantekenen enzovoort en kopie bewaren!!

5) Ga samen met je ouders praten met degene die een melding gedaan heeft bij bijvoorbeeld Bureau jeugdzorg. Wie dat was heb je dus gevonden in een van de dossiers.

Als de melding van de school komt, laten je ouders dan vragen om een gesprek met de leerkracht waar de directeur bij is. Je ouders moeten erop staan, dat de leraar schriftelijk alles terugneemt wat hij niet met eigen ogen gezien en met eigen oren gehoord heeft.
Hij moet een neutrale beschrijving geven van dat wat hij werkelijk weet. Veronderstellingen moeten jullie niet accepteren.

Het moet ook een duidelijke betekenis hebben. Als hij dus schrijft: “Ik krijg de indruk dat er bij Pietje thuis grenzen overschreden worden”, moeten jullie hem vragen dat te veranderen in iets wat iedereen begrijpen kan.

Dat er grenzen overschreden worden? Wat bedoelt hij daarmee? Kijkt kleine Pietje pornofilms? Wordt Pietje mishandeld? Zijn de ouders van Pietje zo aan de drugs dat ze van voren niet meer weten dat ze van achteren leven?

En hoe komt hij aan die indruk?

Hij moet gewoon, in voor iedereen begrijpelijk Nederlands, opschrijven wat hij nou precies gehoord, gezien of desnoods geroken heeft, wanneer dat was en waar. Of het één keer is gebeurd of elke maandag. Kortom, helder en duidelijk.

Als de leraar dat niet wil en de directeur hem geen opdracht wil geven, kan de inspectie ingeschakeld worden. De directeur is waarschijnlijk gevoelig voor het dreigement van je ouders dat zij andere ouders in zullen lichten.

Als de melding van een Advies- en Meldpunt Kindermishandeling komt, is het moeilijker,
want bij AMK’s kan iemand anoniem melden. Als het om lichamelijke mishandeling gaat
is er misschien een dokter aan te pas gekomen.
Ben je door een dokter onderzocht dat je weet?

Kijk in het dossier van de schoolarts.
Zo’n dossier inzien en kopie ontvangen is een recht, geen gunst.

6) Als je nadat je het dossier gelezen hebt inderdaad met de Raad gaat praten, moet je heel goed uitkijken wat je zegt. Praat nooit in je eentje met een raadsmedewerker. Zorg dat er altijd een volwassene bij is, het mooiste is het als je een advocaat kunt meenemen. Vraag aan je ouders of ze dat voor je willen regelen. Een van je ouders of een ander familielid meenemen is niet erg nuttig, want dan zegt de Raad later misschien immers dat je niet vrijuit hebt kunnen praten. Vraag de vader van een klasgenoot, vraag een sporttrainer, vraag iemand van KOG (023 – 5 32 12 23 en t.p.barendse@worldonline.nl).

Iemand meenemen is doodgewoon, daar heb je recht op. Laat je niet wijsmaken dat de raadsmedewerker met jou alleen moet praten. Als je wel alleen met een raadsmedewerker praat en er staan later dingen in het rapport waar je van zegt: ‘maar dat heb ik helemaal niet gezegd’, dan zal nooit iemand weten wie er gelijk heeft. Heb jij zo’n slecht geheugen? Heeft de raadsmedewerker zo’n rijke fantasie?

Bespreek van tevoren met degeen die met je meegaat heel goed wat zijn rol is. Hij is erbij om een gespreksverslag te maken (zie hieronder) en om te zorgen dat je je zekerder kunt voelen en je geen woorden in de mond laat leggen.

7) In het eerste gesprek geeft de raadsonderzoeker je een folder over de gang van zaken; vraag erom als het niet gebeurt. Vraag ook meteen om het privacyreglement en de klachtenregeling.

8) Vraag of laat vragen of je het gesprek mag opnemen. Iedereen is zenuwachtig tijdens een gesprek met een raadsmedewerker en alles precies onthouden is voor bijna iedereen al moeilijk als je niet zenuwachtig bent. De raadsonderzoeker is bovendien niet verplicht om aantekeningen te maken!

Als opnemen niet mag heb je twee mogelijkheden: of je zegt: nou, dan gaat het helemaal niet door, of je vraagt of laat vragen of de raadsmedewerker bereid is het gespreksverslag voor akkoord te tekenen.

Als de raadsmedewerker ook geen gespreksverslag wil ondertekenen, is het enige wat een verstandig mens nog kan doen naar huis gaan. Schrijf meteen een briefje aan de directeur:

Eigen naam en adres

Aan de directeur van de Raad voor de Kinderbescherming
Enzovoort

Je woonplaats, datum

Geachte Heer/Mevrouw,

Op (datum) heb ik een oproep ontvangen om te spreken met (naam medewerker met wie je even gesproken hebt). Dit gesprek zou vandaag plaatsvinden, maar na een paar minuten ben ik weggegaan.

Omdat ik ‘een ots voor jou!’ op de website van stichting KOG gelezen had, ben ik naar het gesprek toegegaan samen met (naam) en heb ik gevraagd of ik het gesprek mocht opnemen: dat mocht niet. Daarna heb ik gevraagd of de raadsmedewerker het gespreksverslag voor akkoord wou ondertekenen, maar ook dat werd geweigerd. Toen ben ik maar opgestaan.

Ik wil wel komen praten, maar niet meer met deze zelfde medewerker. Ik wil ook alleen praten als ik het gesprek mag opnemen of als er een gespreksverslag voor akkoord wordt ondertekend.

Hoogachtend,

En zoals alles wat je naar de Raad of een Bjz stuurt: zo verzenden dat je kunt bewijzen dat je het verstuurd hebt en een kopie voor jezelf bewaren.

9) Wees heel erg voorzichtig met wat je zegt. Mensen vinden wat ze zoeken, en deze raadsmedewerker is op zoek naar iets wat erop wijst dat je tegen je ouders beschermd moet worden.

10) Weiger te praten over alles waar je niet zelf bij bent geweest. Misschien vraagt de raadsmedewerker je wel naar verhalen die je ouders jou verteld hebben over toen zij nog klein waren, over hoe het was bij jouw opa en oma. Zeg maar gewoon dat de Raad dat maar aan je vader of moeder zelf moet vragen, dat je daar niet aan begint. En denk erom: ook al weiger je iets, dat kan ook beleefd.

Waarom zou een raadsmedewerker zoiets willen weten? Raadsonderzoekers leren in hun opleiding de algemeen bekende wijsheden, o.a. dat iemand zich tegenover zijn kinderen waarschijnlijk gedraagt zoals hij zelf als kind behandeld is. Als jij dus bijvoorbeeld vertelt dat je opa geweldig kon zuipen en slaan, heb je al half verteld dat je vader ook geweldig zuipt en slaat.

11) Als je vader inderdaad bijvoorbeeld geweldig zuipt, moet je je afvragen of het wijs is om dat te vertellen. Als je thuis wilt blijven wonen kun je er misschien maar beter je mond over houden.

12) De raadsonderzoeker die merkt dat je niet wilt praten over de jeugd van je ouders zal nu misschien gaan informeren naar jouw eigen kleine-kindjes-tijd.

Waarom dat nou weer? In zijn opleiding heeft de raadsmedewerker ook geleerd dat kinderen die als baby problemen gaven een grotere kans lopen dan andere kinderen op mishandeling, verwaarlozing en misbruik. Kijk dus uit wat je vertelt. Als jou verteld is dat je als baby een echte huilbaby was, of als je als baby veel ziek bent geweest, kun je dat maar beter voor je houden.

Je ouders zijn ook “verdacht” als er weinig vrienden en kennissen zijn. Zelfs als ze een slechte gezondheid hebben of grote financiële problemen. Zitten ze urenlang te chatten? Vertel het niet, want er wordt misschien van gemaakt dat ze geen echte vrienden en kennissen hebben.

RAADSONDERZOEKERS CONTROLEREN GEEN MEDEDELINGEN; SOMS IS DAT OOK ONMOGELIJK

Na het eerste gesprek (de intake) besluit de Raad:
of niets te doen en zich nergens mee te bemoeien,
of jou en je ouders door te verwijzen naar vrijwillige hulpverlening,
of een raadsonderzoek te verrichten. (Het is maar wat je onderzoek noemt: als iemand niet alles controleert kun je toch eigenlijk moeilijk van een onderzoek spreken.)

HET RAADSRAPPORT
13) Jullie krijgen een kopie van het conceptrapport (concept betekent ongeveer ‘klad’, ‘voorlopig’). Je hebt er recht op die thuis rustig te lezen, samen met wie jullie maar willen. Neem daar maar een week voor. Als jullie dus een kopie thuisgestuurd krijgen met de mededeling dat de Raad aanneemt dat jullie het ermee eens zijn als je over drie dagen niets hebt laten horen, vraag dan aan je ouders een briefje te schrijven (aangetekend enzovoort) dat het niet zo vlug gaat, en dat jullie op die en die datum jullie commentaar zullen leveren. Als je ouders van die mensen zijn die zeggen: niks briefje, laat ze barsten, weg met die troep, adviseren wij je zelf dat briefje te schrijven. (Aantekenen enzovoort!)

Bijvoorbeeld:

Eigen naam en adres

Aan (naam van de raadsmedewerker)
Postbus 12345
6789 AB Amsterdam

Geachte heer/mevrouw (wat het maar wezen moet),

In uw brief bij het conceptrapport schrijft u dat u een reactie verwacht voor (datum). Ik ben helaas niet zo vlug als u wenst. Ik zal u mijn reactie sturen uiterlijk (noem dan een datum 2 weken later).

Met vriendelijke groet,

Kopie bewaren en aantekenen enzovoort!!

Het rapport lezen is voor de meeste mensen moeilijk. Ze hebben het gevoel dat het niet klopt, maar kunnen niet onmiddellijk zien waardoor dat komt. Lees het, leg het weg, lees het op een later tijdstip weer, en herhaal dat. Laat het lezen aan een paar mensen en bespreek het met hen.

Klopt het voorblad? Namen, geboortedata enzovoort.

Zijn alle pagina’s genummerd of zitten er ongenummerde tussen die dus ongemerkt kunnen verdwijnen?

Ga praten met iedereen die in het rapport genoemd wordt, liefst samen met je ouders. Hebben zij inderdaad gezegd wat er staat? Hebben zij niet nog iets gezegd wat niet in het rapport staat, maar waardoor wat er wel staat heel anders lijkt?

Wisten die mensen eigenlijk wel waar zij het over hadden? Zelf gehoord, gezien, meegemaakt, of alleen maar nagekletst?

Zijn alle feitelijke mededelingen juist (dus mededelingen als: heeft herhaaldelijk botbreuken gehad)?

Zijn alle feitelijke mededelingen voldoende duidelijk?

Niet voldoende duidelijk is bijvoorbeeld: heeft herhaaldelijk botbreuken gehad.

Wel voldoende duidelijk is dan: heeft eenmaal een sleutelbeen gebroken door een val met een bromfiets, heeft eenmaal een pols gebroken op de ijsbaan, heeft eenmaal een been gebroken door een val van de trap thuis.

Dit is belangrijk, want “heeft herhaaldelijk botbreuken gehad” wijst op mishandeling voor wie mishandeling zoekt; door de bromfiets en de ijsbaan apart te noemen blijft er één botbreuk over die door mishandeling zou kunnen komen (een val van de trap thuis).

Staan de feiten neutraal in het rapport, of “ruik” je een oordeel?
‘Er was een hulp in huis’ is neutraal; ‘het kind werd aan een hulp overgelaten’ is dat niet.

Is steeds duidelijk wie er aan het woord is: iemand die met de Raad heeft gepraat of aan de Raad heeft geschreven, een informant zoals dat heet, of de raadsonderzoeker zelf?

Zijn er andere onduidelijkheden in het rapport?

Zijn jullie tevreden over het taalgebruik? “Vader zegt” bijvoorbeeld maakt op de lezer (op de rechter) een andere indruk dan “vader beweert”.

Maken allerlei kleinigheden, juist ook weglatingen, dat het rapport de rechter een bepaalde kant op dwingt?

Zet per pagina jullie commentaar op papier. Dring erop aan, dat wat jullie veranderd willen hebben in het rapport zelf veranderd wordt en niet alleen eraan geniet wordt.

Als je ouders een advocaat hebben (en het zou wel heel dom zijn om die niet te hebben), is het verstandig als ze eerst aan hem vragen wat hij vindt van datgene wat ze aan de Raad willen sturen.

Als de Raad het commentaar alleen toevoegt en het niet verwerkt, is het verstandig als je ouders het voor de zekerheid ook rechtstreeks aan de rechter sturen met vermelding van de zittingsdag (aantekenen enzovoort).

14) Als het allemaal niet kan voor de zittingsdatum, is het verstandig als je ouders uitstel van de zitting vragen.

15) Een enkele maal heeft iemand nog geen rapport ontvangen, laat staan commentaar kunnen geven, en komt de zittingsdatum dichterbij. Dan is het natuurlijk helemaal verstandig om uitstel te vragen.

Het is ook het overwegen waard niet op het rapport te reageren maar op de zitting aan de rechter te vertellen wat volgens jou de waarheid is.

Zijn wij zulke argwanende types? Ja, dat zijn wij. En zo zijn wij niet geboren.

Uit ervaring weten wij, dat er met raadsonderzoeken en raadsrapporten geweldig veel mis kan gaan. Er zijn vast wel een heleboel raadsmedewerkers die hun werk zo goed mogelijk willen doen. Dus: kijken hoe een situatie is en dan misschien de rechter adviseren. Maar de Raad voor de Kinderbescherming heeft er moeite mee personeelsleden te vinden. Dat zal dus misschien betekenen, net als in ieder ander bedrijf, dat je dan niet al te kritisch kunt zijn op je medewerkers, anders zit je straks helemaal zonder.

Wij zijn de enigen niet die vinden dat je een raadsrapport 10x moet lezen, liefst met de hele straat, zodat er geen adder onder het gras zit die je helemaal niet in de gaten had. Professor G.P. Hoefnagels heeft dat al veel eerder gezegd. Hij heeft geschreven, dat de raads-medewerker soms van vooroordelen uitgaat, ‘indrukken’ vermeldt zonder te vertellen hoe hij aan die indrukken komt, een conclusie trekt die geen conclusie is, beweringen van iemand over jou en je gezin behandelt als vaststaande feiten. Ja, het is een feit dat hij dat beweert, maar is wat hij beweert ook een feit?! Enzovoort enzovoort.

“Liefst met de hele straat”: dat is meteen nuttig voor een tweede doel. Een heleboel jongeren schamen zich voor een contact met de Raad voor de Kinderbescherming. Dat zal gedeeltelijk wel komen door de geschiedenis van de Raad: als je daar contact mee hebt ben je een asociale sloeber. Verder komt het zeker ook doordat jongeren niet “uit de groep willen vallen”, niet anders willen zijn, niet willen afsteken.

(Merkwaardig genoeg is het met Bureau jeugdzorg heel anders. Je kunt op scholen iemand vrolijk horen zeggen: ik moet opschieten, ik moet naar Bjz. Die heeft nog niet in de gaten dat hij misschien zijn eigen graf aan het graven is.)

Vertel dat je naar de Raad voor de Kinderbescherming gaat, vertel dat je bij de Raad voor de Kinderbescherming bent geweest. Als je erover praat wordt dat gevoel van schaamte minder. En schaamte hoeft er niet te zijn. Niet als het onzin is dat de Raad zich met je moeit, en ook niet als het geen onzin is.

Als je ouders je mishandelen is dat namelijk ook niet iets om je voor te schamen, misschien niet voor je ouders, maar zeker niet voor jou. Iedereen die zelf niet raar doet, mag daar heel dankbaar voor zijn. Misschien wordt hij nog totaal overspannen, misschien raakt hij nog aan de drank, misschien wordt hij nog psychotisch. Iedereen kan op elk moment van alles krijgen.

Dus wie denkt dat hij zijn neus kan ophalen voor iemands gedrag, is een onnozelaar die nog niet weet wat er in het leven te koop is.

DE ZITTING
16) Als de Raad de kinderrechter adviseert een ondertoezichtstelling op te leggen en je ouders en jij zijn het er niet mee eens, zeg dat dan op de zitting. De rechter roept je op voor de zitting en laat jou daar vertellen wat je ervan vindt.

Als je het er niet mee eens bent, hou dat dan vol. Sommige rechters gaan eindeloos door om jullie maar te laten zeggen dat jullie het ermee eens zijn en er het nut van inzien. Een kinderrechter in Amsterdam heeft het zelfs gepresteerd steeds maar te praten over “extra aandacht, een knutselclubje vinden”. Zij had meer uithoudingsvermogen dan de ouders; tenslotte zeiden die: nou goed dan.

Niet doen. Als je het er niet mee eens bent, ben je het er niet mee eens. Houd dat gerust vol. Tenslotte kan er narigheid van komen, zoals een Bjz dat later toch nog uithuisplaatsing vraagt aan de kinderrechter.

Als de kinderrechter een ots uitgesproken heeft, krijg je een gezinsvoogd toegewezen. Dat is een medewerker van Bjz.
Vraag je ouders in hoger beroep te gaan tegen de ots. Daar hebben zij een procureur, dat is een advocaat, voor nodig. In hoger beroep gaan wil zeggen dat je aan een andere rechter vraagt er ook nog eens naar te kijken.

DE ONDERTOEZICHTSTELLING
De ots wordt uitgesproken voor maximaal een jaar. Hij kan door de kinderrechter steeds weer verlengd worden tot je 18 bent. In de wet staat: “De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond daarvoor niet langer bestaat. Hij kan dit doen op verzoek van de gezinsvoogdij-instelling, de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaren of ouder.”

Maar als je hem eenmaal hebt, ben je er nog maar niet zo af: wij hebben meegemaakt dat een gezinsvoogdij-instelling verlenging vroeg, hoewel de ouders hadden geschreven nooit meer een woord met de gezinsvoogd te willen wisselen, en het kind van 16 jaar dat ook had geschreven! (Dat hangt vermoedelijk samen met geld: een gvi krijgt betaald per minderjarige die onder toezicht staat; een minderjarige die geen woord met de gezinsvoogd wisselen wil en ouders die ook geen woord met de gezinsvoogd willen wisselen: dat is makkelijk verdiend!)

Als je dan eenmaal een ondertoezichtstelling hebt hangt de uithuisplaatsing wel altijd boven je hoofd, maar aan de andere kant hoef je aan de ots niet te zwaar te tillen.
Er zijn gezinsvoogden die hun neus nooit laten zien, de meeste gezinsvoogden vertonen zich een uurtje per maand, keurig aangekondigd.

RECHTEN EN PLICHTEN
Je hebt dan dus een ots en je bent boven de 11. Dat betekent dat alle rechten en plichten die je ouders hebben tegenover de gezinsvoogd ook jouw rechten en plichten zijn. Vanaf 12 jaar heb je dezelfde rechten tegenover de gezinsvoogd als je ouders.

En plichten? Daar zit je nu goed in! Je had natuurlijk altijd al de plicht om je ouders te gehoorzamen, daar komt nu bij dat je moet doen wat de gezinsvoogd zegt. Nou zeggen de meeste gezinsvoogden dus niet zo vaak wat, maar toch … Soms zegt een gezinsvoogd dat je iets doen moet, bijvoorbeeld in behandeling gaan bij een RIAGG, en zeggen je ouders iets anders. Denk dan maar eens heel diep na: wie heeft er gelijk? Praat er met andere kinderen en volwassenen over. Twee weten soms meer dan een. Als je denkt dat de gezinsvoogd meer gelijk heeft, doe dan wat hij wil en zeg tegen je ouders dat je immers moet doen wat hij zegt. Als je denkt dat je ouders meer gelijk hebben doe je wat zij zeggen. Tenslotte hebben zij het ouderlijk gezag over jou. Dus: of je de gezinsvoogd volgt of je ouders: wat je ook doet, het is altijd goed!

Zo zie je meteen wat een rarigheid een ots eigenlijk is: je ouders zijn de baas over jou, maar je moet doen wat de gezinsvoogd zegt. Dat kan dus niet kloppen.

Nogmaals: je ouders zijn nog gewoon je ouders en hebben nog steeds het ouderlijk gezag dat zij hadden voordat de ots werd opgelegd. Daarom bepalen zij wat er gebeurt, niet de gezins-voogd. Maar er is zoiets als de schriftelijke aanwijzing, zie een eindje verderop.

Wat hiervoor over contact met medewerkers van de raad voor de Kinderbescherming gezegd is, geldt ook voor omgang met een gezinsvoogd:
– Bij de eerste ontmoeting krijg je een exemplaar van het privacyreglement en van de
klachtenregeling.
Vraag erom als het niet gebeurt.
– Zorg ervoor dat er altijd iemand bij is als je met de gezinsvoogd praat. Niet je ouders of
andere familieleden, want anders wordt er later misschien gezegd dat je niet vrijuit durfde
praten. Misschien is een leraar van school een goede keus, op school praten in plaats van
op Bjz of bij jou thuis is ook helemaal niet gek, en bel KOG!
– Zorg ervoor dat al je vragen beantwoord worden.
– Vraag of het gesprek opgenomen mag worden; als dat niet mag, laat de
vertrouwenspersoon dan aantekeningen maken en vraag de gezinsvoogd het
gespreksverslag te ondertekenen voor akkoord.
– Als hij dat niet wil vraag je de directeur van de gvi om een andere gezinsvoogd.
– Als de directeur dat niet wil doen, vraag dan de kinderrechter om een andere gvi, dan heb
je automatisch een andere gezinsvoogd.
Misschien doet de kinderrechter dat ook niet, dan heb je pech gehad. Dan is er niets aan
te doen.

Je kunt wel tegen de gezinsvoogd zeggen dat het of/of is: of hij tekent gespreksverslagen voor akkoord tot je hem kent en vertrouwt, of je praat niet met hem. Geef ons maar weer de schuld: van mijzelf ben ik niet zo wantrouwig, maar ik heb ‘een ots voor jou!’ gelezen!

Neem een aantal maanden de tijd om er achter te komen wat voor persoon de gezinsvoogd is. Misschien heb je het reuze getroffen en is het iemand die oprecht is, nauwkeurig, vast van plan (en in staat!) jou en je ouders adviezen te geven waar jullie iets aan hebben. Maar zolang je dat niet honderd procent zeker weet is het verstandiger niet te veel te zeggen.

Wat je niet zegt, kan ook niet verdraaid of uit zijn verband gerukt worden.

Evenals raadsmedewerkers controleren gezinsvoogden niet vaak een verhaal, en een heleboel zaken zijn ook niet te controleren, of bijna niet.

Je moet je even realiseren, dat de gezinsvoogd er helemaal niets mee te maken heeft dat je een ots hebt. Die ots is door de Raad voor de Kinderbescherming (op advies van Bureau jeugdzorg) gevraagd aan de kinderrechter, die heeft hem opgelegd, en daarna is de gezinsvoogd aangewezen. Deze gezinsvoogd moet je ouders helpen jou op te voeden omdat zij dat in hun eentje niet kunnen volgens de rechter, en omdat ze werkelijk gedwongen moeten worden om hulp te accepteren. Het kan allemaal wel onzin zijn, maar zo zit het in elkaar.

HET HULPVERLENINGSPLAN
Binnen 6 weken na het begin van de ots heeft de gezinsvoogd een hulpverleningsplan gemaakt. Daarin staat wat hij wil met de ots (doelen voor de korte termijn, doelen voor de lange termijn), hoe hij zich voorstelt dat voor elkaar te krijgen, met wie hij wanneer waarover gaat praten, hoe je gezinsleden erbij betrokken worden (of waarom zij niet betrokken worden).

Is er na 6 weken nog geen hulpverleningsplan, vraag er dan schriftelijk om (aangetekend enzovoort, kopie voor jezelf weet je wel) bij de directeur van de gvi. Wacht nog een paar weken. Komt er echt niets?

Schrijf de kinderrechter een brief waarin je hem verzoekt de ots op te heffen: de gezinsvoogd schijnt het helemaal niet de moeite waard te vinden. Stuur met die brief je verzoek en het bewijs dat je dat verzoek echt verstuurd hebt mee. Je staat natuurlijk duizend keer sterker als je ouders hetzelfde verzoek doen, met dezelfde reden.

Het hulpverleningsplan (meestal komt het keurig in je brievenbus, en op tijd) moeten jij en je ouders voor gezien tekenen. Kijk er met zijn allen verschrikkelijk goed naar: er kan een schriftelijke aanwijzing in verborgen zitten.

Sta er op dat de ‘doelen’ duidelijk en helder zijn. Anders weet je namelijk nooit of de doelen gehaald zijn. En als de doelen gehaald zijn, is er geen reden meer om de ots te verlengen.

Als jullie het niet eens kunnen worden met de gezinsvoogd over het hulpverleningsplan, kun je het hulpverleningsplan voorleggen aan de kinderrechter. Zorg ervoor dat je dat binnen twee weken doet.

Een hulpverleningsplan opstellen is een ding, het uitvoeren weer een ander.

HET DOSSIER
Je hebt, net als bij de Raad voor de Kinderbescherming, in principe recht op een kopie van alle papieren die samen het dossier vormen. Maar: Bjz kan bepalen dat je een stuk niet mag zien “om iemands persoonlijke levenssfeer te beschermen”. Bij de Raad krijg je wel alles.
Als de Raad je iets niet wil geven moet daarvoor toestemming gevraagd worden aan het Ministerie van Justitie.

De gezinsvoogd geeft je de regeling van “jouw” Bjz over je recht op “de stukken”

In die regeling zal waarschijnlijk niet staan, dat je recht hebt op het contactjournaal.
Dat betekent dat de gezinsvoogd het niet mag geven, maar dat betekent nog niet dat die regeling in orde is.

Op 11 april 2000 heeft stichting Vedivo, dat was de organisatie die zo’n beetje de weg wees aan de gvi’s, een brief geschreven aan de directeuren van alle gvi’s; die brief heeft op Internet gestaan. In die brief werd gezegd dat zij absoluut geen contactjournalen moesten afgeven, niet aan ouders, niet aan klachtencommissies, niet aan rechters. Je zou denken dat het contactjournaal dus persoonlijke aantekeningen van de gezinsvoogd bevat? Nee, in die brief staat dat het een document is dat heel erg belangrijk is bij de beoordeling van het verloop van de ots. Het Platform SCJF heeft aan Vedivo geschreven: hoe zit dat nou? Op deze website vind je de brieven in de map Verzonden en ontvangen.

Het laatste woord is hierover natuurlijk nog niet gezegd, want er bestaat zoiets als het Mc Michael-arrest. Dat is een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 24 februari 1995. De heer Mc Michael had geklaagd dat hij geen eerlijk proces had gehad omdat hij niet alle papieren had kunnen inzien. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens gaf hem gelijk.

Een rechter in Zutphen heeft ook al gezegd dat men recht heeft op het contactjournaal, juist omdat daarin de “visie” van de gezinsvoogd op de zaak te vinden is, dus je kunt erin lezen wat de gezinsvoogd nou werkelijk over jou en je gezin denkt. Kan heel aardig zijn!

Als je het contactjournaal niet krijgt schrijf je aan de directeur van de gvi (aangetekend enzovoort! En kopie voor jezelf). Er komt geen antwoord binnen twee weken, of er komt een weigering, en dan stuur je kopie van je brief met kopie van het verzendbewijs en kopie van de weigering binnen twee weken naar de rechter, en je vraagt hem de gvi opdracht te geven jou kopie van het contactjournaal te sturen. Als je helemaal geen antwoord had gehad moet je dat natuurlijk schrijven.

Vraag je ouders om hetzelfde te doen: schriftelijk vragen aan de directeur, daarna aan de rechter.

Tegelijkertijd dien je een klacht in bij de klachtencommissie van Bjz. De kans dat de klachtencommissie je gelijk geeft is niet groot, maar toch maar wel doen. De gezinsvoogd geeft je een folder waarin staat hoe dat allemaal moet. Daarna kun je nog terecht bij de Nationale Ombudsman.

Vraag weer aan je ouders om hetzelfde te doen.

Jongeren maken eigenlijk nooit gebruik van de klachtencommissies, en dat zouden ze volgens ons wel moeten doen. Je kunt een beroep op ons doen om te helpen. En verder kun je een beroep doen op een kinderrechtswinkel of op de vertrouwenspersoon van Bjz.

Waarom raden wij je aan om je tijd te verdoen aan iets wat misschien niet gaat lukken? Omdat het wel gaat lukken als maar genoeg mensen erom blijven vragen. Vragen bij Bureaus jeugdzorg, klachtencommissies en rechters.

Het is van groot belang. We weten uit de brief van 11 april 2000 van Vedivo dat er een soort “schaduwdossier” bestaat: de interne rapportage die in het contactjournaal te vinden is. De gezinsvoogd schrijft in het contactjournaal op wat hij werkelijk vindt van jou en je gezin, met wie hij waarover gepraat heeft, en dat contactjournaal wordt dan “gefatsoeneerd” tot de officiële rapportage voor jou, je ouders, klachtencommissies en de rechter!

Opvragen dus! Misschien doe je het eigenlijk voor andere mensen, maar het kan ook geen kwaad iets voor een ander te doen.

Misschien is het volgende wel een aardig idee: geen contactjournaal, geen contact.

Jij en je ouders praten niet met de gezinsvoogd zolang hij het contactjournaal niet geeft.

Hoe kunnen wij u vertrouwen als u dingen over ons schrijft die wij niet mogen lezen?

Nu steeds meer mensen om het contactjournaal vragen, is er weer iets nieuws uitgevonden: de zogenaamde professionele werkaantekeningen. Daar kunnen we kort over zijn: professionele werkaantekeningen bestaan niet, dat zijn gewoon aantekeningen in het dossier en mensen mogen zien wat een instantie over ze schrijft.

Het is namelijk of / of:
of
op een papier staan persoonlijke werkaantekeningen, en die mag dan niemand zien (dus ook geen collega)
of
een collega mag wel zien wat er staat en dan mogen de ouders en de jongere het ook.

Hoe kunnen wij u vertrouwen als u dingen over ons schrijft die wij niet mogen lezen?

Je moet dus ook om de professionele werkaantekeningen vragen, en dan moet je ze krijgen of een briefje dat de gezinsvoogd die helemaal niet maakt.

DE SCHRIFTELIJKE AANWIJZING
De ots is dus hulpverlening die jij en je ouders niet kunnen weigeren. Als jullie dat toch doen, kan de gezinsvoogd jullie een schriftelijke aanwijzing geven, bijvoorbeeld de opdracht om naar de jeugdafdeling van de plaatselijke RIAGG te gaan.

Als jullie die aanwijzing niet opvolgen (en niet alleen dan) kan Bjz de kinderrechter om uithuisplaatsing vragen, maar jullie kunnen de kinderrechter vragen de schriftelijke aanwijzing te vernietigen, of gedeeltelijk te vernietigen (aantekenen enzovoort en kopie voor jezelf bewaren!). Dat moet gebeuren binnen twee weken nadat de aanwijzing is ontvangen.

Als je niet vlug genoeg bent geweest, kan na die twee weken bij Bjz een verzoek ingediend worden tot (gedeeltelijke) intrekking van de aanwijzing wegens gewijzigde omstandigheden. (Aantekenen enzovoort en kopie voor jezelf bewaren!) Bjz moet binnen twee weken na ontvangst van het verzoek een schriftelijke beslissing geven.

Met die beslissing kun je naar de rechter. Geen antwoord geldt als een weigering, dan kun je dus ook de kinderrechter een brief schrijven waarin je verzoekt de aanwijzing te vernietigen.

Als er een schriftelijke aanwijzing is gekomen, is het wel zaak te proberen het netjes af te werken. Je ouders, en jij ook, zijn verplicht een aanwijzing op te volgen. Als je ouders dat niet doen zonder de kinderrechter in te schakelen, kan dat een reden zijn voor ontheffing uit het gezag.

Een gezinsvoogd kan geen schriftelijke aanwijzing geven die inhoudt dat je uit huis geplaatst wordt. Over uithuisplaatsing beslist altijd de rechter.

DE UITHUISPLAATSING
De Raad voor de Kinderbescherming kan ots met uithuisplaatsing verzoeken aan de kinderrechter of alleen ots. Als je alleen een ots hebt, kan later de gezinsvoogd toch nog uhp aan de kinderrechter vragen.

Als er een uithuisplaatsing dreigt waar jij en je ouders het niet mee eens zijn, kunnen je ouders (kan hun advocaat) en kun jijzelf op de zitting aan de rechter uitleggen waarom je het niet wilt. De rechter roept je op voor de zitting. Soms wekken kinderrechters de indruk dat je wel tegen de muur had kunnen praten, maar vaak blijken ze ook heel goed te kunnen luisteren. Doe je best dus!

Ook kun je “verdwijnen”. Als de kinderrechter de Raad voor de Kinderbescherming of Bjz toestemming geeft jou uit huis te plaatsen, is die toestemming (“machtiging”) na drie maanden niet meer geldig. Nu is een nieuwe machtiging snel gevraagd, maar misschien wordt die niet gevraagd, of misschien heb je een andere rechter die er anders over denkt, in ieder geval kun je het allemaal nog een keer uitleggen. En je hebt duidelijk gemaakt dat je er veel voor over hebt om niet uit huis geplaatst te worden.

Volgens de wet wordt een minderjarige alleen uit huis geplaatst “Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid”, maar de praktijk is soms anders.

Wij hebben meegemaakt dat een meisje van bijna 12 dat bij haar moeder woonde bij haar vader wilde wonen. De gezinsvoogd wou niet horen waarom, hij wou alleen maar dat ze terug ging. Haar vader stelde voor dat ze een poosje bij hem zou blijven, en dat er daarna nog eens rustig bekeken zou worden wat de beste plaats voor haar was. Nee, de gezinsvoogd wou dat ze nu, onmiddellijk, terug ging. Haar vader zei dat dat in ieder geval niet zou gebeuren. Prima, zei de gezinsvoogd, dan wordt ze uit huis geplaatst in een orthopedagogisch centrum. (Een van ons heeft dat gesprek bijgewoond.)

Ook hebben we een brief waarin de directeur van een gvi aan een vader schrijft dat hij perse met de gezinsvoogd moet komen praten. De vader wilde dat namelijk niet omdat hij een andere gezinsvoogd wou. Met deze man wilde hij helemaal nooit meer praten. Als de vader niet kwam, schreef de directeur, dan zou zijn dochtertje uit huis geplaatst worden. Dat was een schunnig dreigement, omdat het om een kindje van 6 ging.

Je ziet, uithuisplaatsing wordt gebruikt voor van alles en nog wat.

Wij zeiden hierboven, dat je natuurlijk kunt “verdwijnen”. Het meisje dat naar een orthopedagogisch centrum moest is inderdaad verdwenen, samen met haar vader. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Verdwijnen, onderduiken, is heel erg moeilijk.

Als je onderduikt met iemand die niet het ouderlijk gezag over je heeft, kan die persoon veroordeeld worden wegens ontvoering.

Als je onderduikt met een ouder die wel het ouderlijk gezag over je heeft, kan die ouder ontheven worden van het gezag.

Veel simpeler is het, je gewoon uit huis te laten plaatsen en daarna terug te gaan. Je ouders staan er dan buiten. Jou overkomt gegarandeerd niets.

Je ouders laten je binnen (“ik kan mijn kind toch niet op de stoep laten staan?”) en bellen op naar pleeggezin of instelling. Het is niet nodig dat iemand ongerust is voor niets.

Ze weigeren je terug te brengen. En dan moet je maar afwachten wat er gebeurt. Een enkele keer gebeurt er niets, soms komt de politie je halen. Je laat je rustig meenemen en gaat de volgende dag weer naar huis. Desnoods doe je dat tien keer, maar wij hebben nog nooit gehoord dat het tien keer nodig was. De politie blijft niet bezig!

Laat je vooral niet wijsmaken dat je nu in een gesloten inrichting geplaatst zult worden, want dat is pure kletskoek. Een kind dat niet uit huis geplaatst wil zijn, gaat terug naar huis. Einde verhaal. Het enige is, dat je niet bang moet zijn. En het is niet nodig bang te zijn: niemand kan je iets maken.

Voor ouders is het heel erg moeilijk de zaken redelijk te laten lopen als de Raad of Bjz zich eenmaal iets in het hoofd heeft gehaald, voor jongeren is dat makkelijk te doen als zij de durf hebben.

In verband met uithuisplaatsingen is het van belang dat je je aan de leerplichtwet houdt. Niet naar school gaan, of veel te weinig naar school gaan, kan namelijk worden uitgelegd als “ernstige gedragsproblemen”, en wegens ernstige gedragsproblemen kun je in een gesloten inrichting terechtkomen.

Als je het werkelijk bijna niet meer kunt opbrengen om naar school te gaan en je hebt een ondertoezichtstelling, vraag dan een gesprek aan met de gezinsvoogd. Voer het gesprek waar je ouders bij zijn.

Bespreek met hem hoe het komt dat je jezelf bijna niet uit bed kunt schroeven als je eraan denkt dat je naar school moet. Het is heel goed mogelijk dat je best het een en ander wilt leren, maar op school niet dat leert waarvan je denkt dat je het weten wilt of het gebruiken kunt.

De gezinsvoogd is waarschijnlijk goed op de hoogte van de onderwijsmogelijkheden die voor jou qua afstand bereikbaar zijn. Als hij het niet weet kan hij er in ieder geval makkelijker achterkomen dan jijzelf.

Maak het tot jullie een probleem van jullie samen. Stel je open voor advies en probeer je aan afspraken in dit verband te houden.

De gesloten inrichting is een verhaal apart. Maar ook hier geldt: als je er werkelijk niet zijn wilt (en vraag je eerst maar 1000x af of het echt niet nuttig is), dan ga je niet meer terug als je op bezoek bent thuis.

Als je twee weken kunt verdwijnen mag je er vrijwel zeker op rekenen dat je plaats niet meer vrij is. Benut die twee weken om een school of werk te zoeken als je daar al de leeftijd voor hebt. Als je kunt zeggen: ik wil niet terug, maar ik ben nu van plan dit of dat te gaan doen, sta je veel sterker dan wanneer je alleen maar te melden hebt wat je niet wilt.

DE EXTERNE DESKUNDIGE
De externe deskundige is de pedagoog, psycholoog, psychiater die in opdracht van Bjz, Raad of kinderrechter een onderzoek naar je doet. Overleg met je ouders of je daar aan mee zult werken.

Als jullie tot de slotsom komen dat het beter is van niet, dan doe je het niet (veel mensen hebben weinig vertrouwen in sommige externe deskundigenbureaus).

Misschien komt er vervolgens een schriftelijke aanwijzing. Het is dan beter als je ouders niet weigeren, maar jij. Jou kan namelijk niemand iets maken.

Als je overweegt wel mee te werken, is het van belang dat je weet dat je je niet naar elk onderzoeksbureau hoeft te laten sturen: volgens de Richtlijnen van de commissie-Dekker (opgesteld door het ministerie van Justitie) heb jij daar namelijk iets in te zeggen.

Neem contact met ons op als je hierover advies wilt.

JE WORDT OF BENT UIT HUIS GEPLAATST EN VINDT DAT PRIMA

Dan wordt het een heel ander verhaal. Je hebt dan te maken met je pleeggezin of inrichting, pleegzorg en gezinsvoogd.

Heel vaak horen wij dat er pogingen worden gedaan om kinderen van hun familie te vervreemden. Als er een door de rechter bepaalde omgangsregeling is met een ouder die geen ouderlijk gezag over je heeft, mag niemand daar iets aan veranderen, ook de gezinsvoogd niet. Je hoeft absoluut niet te accepteren dat mensen proberen je los te weken uit je familie, maar het is ook niet zo dat je medewerking mag verwachten van je pleeggezin.

Want hoe zit dat? Als de gezinsvoogd de contacten tussen jou en je familie beperkt heeft en er achter komt dat het pleeggezin zich daar niet aan houdt, is het mogelijk dat hij je overplaatst naar een ander pleeggezin. Dat mag hij. Als er een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin is, maakt het niet uit welk pleeggezin, dat bepaalt de gezinsvoogd. Juist een pleeggezin dat het goed met je voor heeft, zal dus niet mee willen werken aan “verboden” contacten, anders raken ze je misschien kwijt.

Die contacten moet je dus helemaal zelf organiseren, en het is beter als je je pleeggezin daar ook helemaal buiten houdt. Het is vervelend als het stiekem moet, maar het is soms niet anders.

Zoek je familie op, spreek met ze af bij McDonald’s of iets dergelijks, schrijf ze, bel ze, mail met ze, wissel SMS’jes uit, er is altijd iets te regelen.

Afgezien hiervan is een pleeggezin bijna altijd gewoon je gezin, en daar heb je dus geen speciale kennis voor nodig.

In een instelling vinden mensen het misschien makkelijker om iets stiekems te doen, doordat het onpersoonlijker is.

Vraag bij de groepsleiding naar het privacyreglement en de klachtenregeling. Informeer ook of er een cliëntvertrouwenspersoon is. Is er een cliëntenraad? Is er een aparte jongerenraad?

Hoe de zaken ook geregeld zijn in jouw instelling, je hoeft het in ieder geval niet goed te vinden dat mensen op alle tijden, gevraagd en ongevraagd, je kamer binnen denderen, en je hoeft het zeker niet goed te vinden dat je post gelezen wordt.

Voor justitiële jeugdinrichtingen gelden aparte regels.

Als je nog geen 16 bent, moeten je ouders als ze nog ouderlijk gezag hebben toestemming geven voor elke medische behandeling; toestemming van groepsleider of gezinsvoogd is niet genoeg.

Als je de indruk hebt dat dit soort vragen of opmerkingen niet lekker valt, vraag dan met een groepje eens een gesprek met de inspectie aan. De inspectie zit tegenwoordig alleen nog maar in Utrecht, maar er is vast wel een inspecteur bereid naar de instelling toe te komen.

Als er je in de inrichting dingen overkomen waar je het helemaal niet mee eens bent, kun je de klachtenprocedure volgen; het is altijd nuttig kopie van je klacht naar de inspectie te sturen. Ook is het nuttig kopie van je klacht naar leden van de Tweede Kamer te sturen en aan stichting KOG (zet op je klacht: in kopie aan: …).

Ook als je geen klachtenprocedure wilt volgen, is het heel goed je verhaal te sturen naar de inspectie, naar Kamerleden en naar ons. Voor e-mailadressen van kamerleden die in de commissie voor justitie zitten kijk op je http://www.overheid.nl Als je problemen hebt met brieven schrijven: schakel je vertrouwenspersoon in, bel een kinderrechtswinkel of bel ons.

En wat een mens in het uiterste geval kan doen: aangifte doen bij de politie. Aangifte doen kan ook per fax.

Enkele wetsartikelen

BURGERLIJK WETBOEK, BOEK 1.

Belangrijk zijn:

Art. 254
1. Indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald, of, naar is te voorzien, zullen falen, kan de kinderrechter hem onder toezicht stellen van een gezinsvoogdij-instelling als bedoeld in artikel 60 van de Wet op de jeugdhulpverlening.
2. Hij kan dit doen op verzoek van een ouder, een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, of de Raad voor de Kinderbescherming, dan wel op vordering van het openbaar ministerie.
3. Bij de toepassing van het eerste lid let de kinderrechter op de godsdienstige gezindheid en de levensovertuiging van de minderjarige en van het gezin waartoe deze behoort.
4. Op verzoek van de gezinsvoogdij-instelling, de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder, kan de kinderrechter de gezinsvoogdij-instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere. De Raad voor de Kinderbescherming is bevoegd het in de vorige volzin bedoelde verzoek in te dienen, indien de Raad van oordeel blijft dat de uithuisplaatsing niet op de voet van artikel 263, eerste lid, dient te worden beëindigd.

Art. 255
De kinderrechter kan hangende het onderzoek de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen indien dit dringend en onverwijld noodzakelijk is. Hij bepaalt de duur van dit voorlopige toezicht op ten hoogste drie maanden en kan de beslissing te allen tijde herroepen.

Art. 256
1. De kinderrechter bepaalt de duur van de ondertoezichtstelling op ten hoogste een jaar.
2. De kinderrechter kan de duur telkens voor ten hoogste een jaar verlengen. Hij kan dit doen op verzoek van de gezinsvoogdij-instelling, een ouder, een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, of op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming dan wel op vordering van het openbaar ministerie.
3. … .
4. De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond daarvoor niet langer bestaat. Hij kan dit doen op verzoek van de gezinsvoogdij-instelling, de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaren of ouder.

Art. 257
1. De gezinsvoogdij-instelling houdt toezicht op de minderjarige en zorgt dat aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouder hulp en steun wordt geboden teneinde de bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige af te wenden.
2. Deze hulp en steun zijn erop gericht de met het met gezag belaste ouder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding zoveel mogelijk te doen behouden.
3. Indien het leeftijds- en ontwikkelingsniveau van de minderjarige en diens bekwaamheid en behoefte zelfstandig te handelen en zijn leven naar eigen inzicht in te richten daartoe noodzaken, zijn hulp en steun, meer dan op het vergroten van de mogelijkheden van de ouders om hun kind te verzorgen en op te voeden, gericht op het vergroten van de zelfstandigheid van de minderjarige.
4. De gezinsvoogdij-instelling bevordert de gezinsband tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige.

Art. 258
1. De gezinsvoogdij-instelling kan ter uitvoering van haar taak schriftelijk aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige.
2. De met het gezag belaste ouder en de minderjarige dienen deze aanwijzingen op te volgen.
3. Plaatsing van de minderjarige gedurende dag en nacht buiten het gezin geschiedt, behoudens in de gevallen dat de met het gezag belaste ouder daartoe zonder bezwaar van de gezinsvoogdij-instelling overgaat, alleen krachtens artikel 261.

Art. 259
1. Op verzoek van de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaren of ouder kan de kinderrechter een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.
Het verzoek heeft geen schorsende kracht, tenzij de kinderrechter het tegendeel bepaalt.
2 …
3. De termijn voor het indienen van het verzoek bij de kinderrechter bedraagt twee weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is toegezonden of uitgereikt.
4. …

Art. 260
1. De met het gezag belaste ouder en de minderjarige van twaalf jaren of ouder kunnen de gezinsvoogdij-instelling verzoeken een aanwijzing wegens gewijzigde omstandigheden geheel of gedeeltelijk in te trekken.
2. De gezinsvoogdij-instelling geeft een schriftelijke beslissing binnen twee weken na ontvangst van het verzoek.
3. Artikel 259 is van overeenkomstige toepassing.
4. Het niet of niet tijdig nemen van een beslissing door de gezinsvoogdij-instelling wordt voor de toepassing van deze bepaling gelijkgesteld met afwijzing van het verzoek. De termijn voor het indienen van het verzoek bij de kinderrechter loopt in dat geval door zolang de gezinsvoogdij-instelling niet heeft beslist en eindigt, indien de gezinsvoogdij-instelling alsnog beslist, twee weken daarna.

Art. 261
1. Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de gezinsvoogdij-instelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. Bij het verzoek wordt vermeld voor welke voorziening, soort voorziening of andere verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd.
2. De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming.
3. Voor plaatsing in een gesloten inrichting is een uitdrukkelijk daartoe strekkende machtiging van de kinderrechter vereist. Deze machtiging wordt slechts verleend, indien zij vereist is wegens ernstige gedragsproblemen van de minderjarige …
4. …
5. …
6. …

Art. 262
1. De kinderrechter bepaalt de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing op ten hoogste een jaar. Op verzoek van de gezinsvoogdij-instelling of van de Raad voor de Kinderbescherming kan hij de duur telkens met ten hoogste een jaar verlengen.
2. …
3. Een machtiging vervalt, indien deze gedurende drie maanden niet ten uitvoer is gelegd.

Art. 263
1. Een uithuisplaatsing kan worden beëindigd door de gezinsvoogdij-instelling.
2. De met het gezag belaste ouder, een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt en de minderjarige van twaalf jaren of ouder kunnen wegens gewijzigde omstandigheden de gezinsvoogdij-instelling verzoeken:
-a. de uithuisplaatsing te beëindigen;
-b. de duur ervan te bekorten;
-c. af te zien van een krachtens de machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige. …
3. De gezinsvoogdij-instelling geeft een schriftelijke beslissing binnen twee weken na ontvangst van het verzoek.
4. Op verzoek van de in het tweede lid genoemde personen kan de kinderrechter de machtiging geheel of gedeeltelijk intrekken of de duur ervan bekorten. …

Art. 263a
1. Voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige als bedoeld in artikel 261, kan de gezinsvoogdij-instelling voor de duur van de uithuisplaatsing de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind beperken.

Bron: Stichting KOG

Reageren is niet mogelijk